ECLI:NL:CRVB:2026:22
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsvermogen en verhoging Wajong-uitkering in hoger beroep
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv, waarin werd vastgesteld dat hij arbeidsvermogen heeft en dat zijn Wajong-uitkering niet verhoogd wordt wegens hulpbehoevendheid. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 14 januari 2026. Appellant, geboren in 1978, ontving sinds 1996 een uitkering op basis van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die later is omgezet naar de Wajong. In 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, wat leidde tot een verlaging van zijn uitkering. Na een periode van werk bij een stichting, die failliet ging, heeft appellant in 2021 een herbeoordeling aangevraagd, waarbij hij om een verhoging van zijn uitkering vroeg vanwege hulpbehoevendheid. Het Uwv heeft zijn verzoek afgewezen, wat appellant niet kon aanvechten met nieuwe medische gegevens. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, en de Centrale Raad heeft deze uitspraak bevestigd. De Raad concludeert dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft en dat hij niet in aanmerking komt voor een verhoging van zijn uitkering. De Raad oordeelt dat de verzekeringsartsen de klachten van appellant adequaat hebben beoordeeld en dat er geen noodzaak is voor hulp bij dagelijkse levensverrichtingen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten.