ECLI:NL:CRVB:2026:232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeidsongeschiktheid en dagloon in WIA-uitkering na arbeidsongeval
Appellant, die zich ziekmeldde na een arbeidsongeval, betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en het dagloon. Na zorgvuldige medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV aanvankelijk een lagere mate van arbeidsongeschiktheid vast, welke door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep leidde tot vernietiging van de eerdere besluiten.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook zonder spreekuurcontact met een verzekeringsarts, en dat de vastgestelde beperkingen juist waren. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die appellant kon vervullen, ondanks bezwaren van appellant over specifieke fysieke belastingen.
De Raad stelde het dagloon vast op €49,20, hoger dan het door het UWV eerder gehanteerde bedrag, en veroordeelde het UWV tot betaling van wettelijke rente en proceskosten. Hiermee werd het beroep van appellant deels gegrond verklaard en de eerdere besluiten vernietigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 47,13% en het dagloon op €49,20, vernietigt eerdere besluiten en veroordeelt het UWV tot rente- en proceskostenvergoeding.