Appellant had in 2012 bij het UWV gekozen voor een vrijwillige verzekering met een verzekerd dagloon van €130,- zonder jaarlijkse indexering. In 2021 verhoogde hij het dagloon naar €160,-, maar vroeg geen indexering aan. De WIA-uitkering die in april 2023 inging, werd gebaseerd op dit niet-geïndexeerde dagloon. Appellant stelde dat het UWV onterecht de wettelijke verhoging van 10,15% per 1 januari 2023 niet toepaste en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV geen verplichting had tot indexering zolang de vrijwillige verzekering niet tot uitkering kwam en dat appellant zelf had kunnen verzoeken om verhoging. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het UWV is misleid of dat het formulier onduidelijk was. De verhoging van 10,15% geldt alleen voor lopende uitkeringen per 1 januari 2023, wat bij appellant niet het geval was.
De Raad overweegt dat de keuze voor niet-indexering bindend is en dat de premies zijn gebaseerd op het niet-geïndexeerde dagloon. De bijzondere omstandigheden aangevoerd door appellant wegen niet op tegen het algemeen verbindend voorschrift dat de gebonden bevoegdheid regelt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.