ECLI:NL:CRVB:2026:237

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
25/613 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd

Appellant was werkzaam als administratief medewerker en ontving sinds 3 juli 2023 een Ziektewetuitkering na een auto-ongeval op 14 juni 2023. Het UWV beëindigde de uitkering per 11 september 2023 omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Medisch onderzoek door UWV-artsen concludeerde dat appellant op de peildatum geen objectief medisch aantoonbare arbeidsongeschiktheid meer had.

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van onderliggend structureel letsel of anatomisch substraat. De rechtbank verwierp ook het beroep op het WAD-protocol, omdat dit niet van toepassing is bij ZW-beoordelingen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, waaronder dat het WAD-protocol had moeten worden toegepast. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het WAD-protocol niet van toepassing is bij ZW-beoordelingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de uitkering bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk.

Uitspraak

25/613 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 maart 2025, 24/1687 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
SAMENVATTNG
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 11 september 2023 terecht heeft beëindigd omdat hij geschikt is voor zijn eigen werk. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere gronden ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Namens appellant is mr. Akdeniz verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant was tot 1 juli 2023 werkzaam als administratief medewerker voor zestien uur per week en studeerde daarnaast fiscaal recht. Na een auto-ongeval op 14 juni 2023 heeft appellant zich ziekgemeld. Vanaf 3 juli 2023 ontving hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 24 juli 2023 is appellant op het spreekuur bij de sociaal medisch verpleegkundige geweest. Bij besluit van 13 september 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 11 september 2023 beëindigd omdat hij hersteld is voor zijn eigen werk.
1.2.
Op 10 oktober 2023 heeft Uwv-arts D.F.D. Gevel appellant op spreekuur gezien om te beoordelen of appellant op 14 juni 2023 arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk. Deze Uwv-arts heeft in zijn rapport van 26 oktober 2023 geconcludeerd dat het plausibel is dat appellant per 14 juni 2023 arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk. Er zijn geen medisch objectiveerbare feiten vastgesteld, die onderbouwen dat hij per datum spreekuur, zijnde 10 oktober 2023, nog steeds arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 september 2023 heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2024 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag het rapport van 20 februari 2024 van de Uwv-arts L.J.C. Beket, ANIOS verzekeringsgeneeskunde bezwaar en beroep. Deze Uwv-arts – die appellant op 12 december 2023 op spreekuur heeft gezien – heeft informatie bij de huisarts opgevraagd en heeft geoordeeld dat op datum in geding, zijnde 11 september 2023, bij appellant geen onderliggend structureel letsel of anatomisch substraat is aangetoond. Vanuit de curatieve sector is geen aanvullende diagnostiek uitgevoerd omtrent de klachten c.q. een stagnatie in herstel te verklaren en bij psychisch onderzoek zijn geen bijzonderheden waargenomen. Volgens deze Uwv-arts zijn er geen aanwijzingen voor cognitieve problematiek dan wel een afname in de psychische belastbaarheid. Verder blijkt uit de informatie van de huisarts van niet-medische onderhoudende factoren, namelijk bewegingsangst. Die worden niet meegewogen bij het vaststellen van de fysieke beperkingen. Het eigen werk van appellant is fysiek licht belastend en er is vanwege een geringe arbeidsomvang van zestien uur per week voldoende tijd voor recuperatie.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. Wat betreft de beroepsgrond dat appellant niet is gezien door een geregistreerde verzekeringsarts heeft de rechtbank gewezen op vaste rechtspraak van de Raad en wel de uitspraken van 7 juni 2022 [1] en 16 december 2021. [2] Van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling in het kader van artikel 19 van Pro de ZW kan niet worden gezegd dat deze niet voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen om de enkele reden dat het onderzoek is verricht door een verzekeringsarts in opleiding. Aangezien niet in geschil is dat de arts bezwaar en beroep ten tijde van zijn onderzoek werkzaam was bij het Uwv als arts in opleiding tot verzekeringsarts, is voldaan aan de Controlevoorschriften ZW 2010 en voldoet de verzekeringsgeneeskundige beoordeling aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen. Overigens is niet gebleken dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Er zijn geen aanwijzingen dat er informatie ontbreekt, appellant is door de Uwv-artsen lichamelijk en psychisch onderzocht, er is een anamnese afgenomen en de arts bezwaar en beroep heeft informatie bij de huisarts ingewonnen. De rechtbank heeft verder geen tegenstrijdigheden aangetroffen in de rapporten van de primaire arts en de arts bezwaar en beroep en hun conclusies vloeien logisch voort uit hun bevindingen.
2.3.
De rechtbank heeft ook niet getwijfeld aan de juistheid van de medisch inhoudelijke beoordeling. Er is geen onderliggend structureel letsel of anatomisch substraat aangetoond. De Uwv-artsen hebben bij psychisch onderzoek geen bijzonderheden waargenomen. De maatstaf betreft fysiek licht belastend werk en de bevindingen van de lichamelijke onderzoeken staan belastbaarheid in het eigen werk niet in de weg. Ook betreft het eigen werk van appellant een geringe arbeidsomvang van zestien uur per week, zodat appellant voldoende tijd voor recuperatie heeft. De motivering van de Uwv-artsen is volgens de rechtbank inzichtelijk. Verder heeft appellant zijn stelling dat hij meer beperkt is, niet onderbouwd met medische informatie. De rechtbank heeft de toelichting van de arts bezwaar en beroep dat de bewegingsangst ten gevolge van het ongeval niet kan worden gekwalificeerd als ziekte of gebrek gevolgd. Daarnaast heeft appellant ook niet onderbouwd dat zijn klachten het gevolg zijn van een whiplash. Die diagnose blijkt niet uit het huisartsenjournaal. De grond dat appellant vanwege zijn studie onvoldoende tijd voor recuperatie heeft, slaagt niet. Op het spreekuur bij de primaire arts van 10 oktober 2023 bleek namelijk dat appellant zijn studie op dat moment nog niet had hervat. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat volgens vaste rechtspraak niet de persoonlijke klachtbeleving van iemand bepalend is, maar moeten de klachten zijn terug te voeren op objectief medisch aantoonbare ziekte of gebrek.
De procedure in hoger beroep
3.1.
In hoger beroep heeft appellant deels herhaald wat hij in beroep heeft aangevoerd. In aanvulling daarop heeft hij naar voren gebracht dat sprake is van whiplashklachten die zijn ontstaan na een auto-ongeval op 14 juni 2023 en dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash Associated Disorders (WAD-protocol) toe te passen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd.

Het oordeel van de Raad

4.1.
In geschil is of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 11 september 2023 heeft beëindigd. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is – deels – een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Wat betreft het WAD-protocol verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 13 mei 2009 [3] en 6 september 2023, [4] waarin is geoordeeld dat dit protocol niet van toepassing is bij een ZWbeoordeling. Wat hierover is aangevoerd, behoeft in het kader van dit hoger beroep dan ook geen nadere bespreking.

Conclusie en gevolgen

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 7 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1268.
2.CRvB 16 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3185.
3.CRvB 13 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3737.
4.CRvB 6 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1724.