ECLI:NL:CRVB:2026:24
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen vanaf zijn achttiende verjaardag tot vijf jaar daarna. Het UWV weigerde de uitkering omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant gedurende die periode onafgebroken arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat onvoldoende medische gegevens beschikbaar waren over de relevante periode, mede doordat appellant pas vanaf 2019 psychiatrisch behandeld werd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de informatie van Met GGZ en het VN-Gehandicaptenverdrag niet voldoende zijn meegewogen en dat het ontbreken van een onafhankelijke deskundige in strijd is met het EVRM. De Raad oordeelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat appellant duurzaam geen arbeidsvermogen had in de periode 2013-2018. De Raad verwierp de bezwaren over het ontbreken van een deskundige en het beroep op het VN-Verdrag en het evenredigheidsbeginsel.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen Wajong-uitkering en geen proceskostenvergoeding. De Raad benadrukte dat het nadeel van het ontbreken van medische informatie door de laattijdige aanvraag voor rekening van appellant komt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen in de relevante periode.