ECLI:NL:CRVB:2026:263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende bijstand en bijzondere bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, een zelfstandig ondernemer zonder woonadres, heeft op 1 april 2022 het inloopspreekuur van het dak- en thuislozenteam bezocht met de intentie bijstand aan te vragen. Omdat hij geen woonadres had, werd hem geadviseerd een briefadres aan te vragen, wat hij met terugwerkende kracht tot 20 februari 2022 deed. Op 26 april 2022 diende appellant een aanvraag in voor algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), met als gewenste ingangsdatum 1 april 2022. Deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens het niet verstrekken van gevraagde gegevens. Vervolgens vroeg appellant op 4 juli 2022 bijstand aan op grond van de Participatiewet (PW), wederom met terugwerkende kracht tot 1 april 2022. Het college wees deze aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende gegevens, maar kende vanaf 4 juli 2022 bijstand toe.
Appellant diende ook drie aanvragen om bijzondere bijstand in voor kosten van rechtsbijstand en griffierecht, die het college afwees omdat niet kon worden vastgesteld of hij recht had op bijzondere bijstand. Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstand en de afwijzing van de bijzondere bijstand, maar het college verklaarde deze bezwaren ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat hij op 1 april 2022 tijdens het inloopspreekuur een aanvraagformulier voor bijstand had ingevuld en ingediend, en dat bijzondere omstandigheden toekenning met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat appellant geen woonadres had en daarom geen melding in de zin van artikel 44 lid 2 PW Pro kon doen. Ook was niet aannemelijk dat hij een aanvraagformulier had ingediend. De Raad verwierp het beroep en bevestigde dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend en dat de aanvragen bijzondere bijstand terecht zijn afgewezen.
De Raad wees appellant ook geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door W.F. Claessens op 3 maart 2026.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstand blijft 4 juli 2022 en de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand wordt bevestigd.