4.5.Appellante voert aan dat zij in de te beoordelen periode wel haar hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft gehad. Zij stelt dat zij zich pas per 1 oktober 2021 in de Basisregistratie personen (Brp) heeft laten uitschrijven bij de gemeente Vught en dat zij tot de datum van die uitschrijving niet haar woonplaats heeft veranderd, waardoor het recht op bijstand tot en met 30 september 2021 is blijven bestaan. Ter onderbouwing van die stelling heeft appellante de volgende stukken overgelegd:
- een eindafrekening van het waterbedrijf Brabant Water N.V. van het waterverbruik op het opgegeven adres over de periode van 1 november 2020 tot 1 november 2021;
- een brief van 7 september 2021 van woonstichting X aan appellante over een huurachterstand op het opgegeven adres over de maanden juli 2021 tot en met september 2021 tot een bedrag van in totaal € 1.708,05;
- een brief van de Sociale verzekeringsbank van 24 december 2021, waarin staat dat appellante vanaf het eerste kwartaal van 2022 geen kinderbijslag meer ontvangt voor haar twee kinderen;
- twee brieven van woonstichting Y aan appellante van 6 en 14 september 2021 waarin appellante is meegedeeld dat haar verzoek om van woning te ruilen met de familie X is goedgekeurd, dat appellante in het kader van die woningruil een woning in [plaats] wordt aangeboden en dat appellante vóór 19 september 2021 moet reageren;
- een brief van de woonstichting Y van 6 september 2021 waarin aan appellante wordt meegedeeld dat zij de huur van de woning op het opgegeven adres heeft opgezegd, dat de einddatum van de huurovereenkomst 1 oktober 2021 is en dat een voor- en na-inspectie zullen worden uitgevoerd op onderscheidenlijk 7 september 2021 en 1 oktober 2021;
- een verslag van de woonstichting Y betreffende de voorinspectie op 7 september 2021, waarin een medewerker van de woonstichting heeft opgetekend, voor zover van belang: “Samen met u deed ik een voorinspectie voor de oplevering van uw woning”;
- een e-mailbericht van 30 september 2021 van de woonstichting Y aan appellante, waarin de woonstichting Y appellante herinnert aan de eindinspectie van de woning op 1 oktober 2021.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij met ingang van 2 augustus 2021 haar hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Daarbij is het volgende van betekenis.
4.5.1.Degene die aangifte doet bij de Belastingdienst moet het aangifteformulier naar waarheid invullen. Appellante heeft de aangifte IB 2021 zonder voorbehoud digitaal ondertekend. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het college niet mocht uitgaan van de juistheid van de verklaring van appellante dat zij vanaf 2 augustus 2021 in Marokko woonde. Hier komt bij dat appellante kennelijk welbewust een specifieke aangifte IB voor emigratie of immigratie heeft ingediend en deze aangifte achteraf heeft ingevuld. Zij heeft de aangifte IB 2021 niet achteraf gecorrigeerd.
4.5.2.Daarnaar gevraagd heeft appellante ter zitting van de Raad verklaard dat het haar tijdens het invullen van de aangifte niet helemaal duidelijk was wat zij moest invullen over het moment waarop zij naar het buitenland is verhuisd. Appellante wist niet welk land zij moest invullen en heeft toen het eerste land waar zij naartoe ging ingevuld. Dat was Marokko. Appellante is daar in augustus 2021 geweest en is toen weer naar Nederland teruggekeerd.
4.5.3.De Raad ziet niet in waarom en in welk opzicht in 2023 bij appellante nog onduidelijkheid kon bestaan over de aard en de duur van haar verblijf in Marokko in augustus 2021. Appellante heeft met haar stellingen en ingediende stukken niet aannemelijk gemaakt dat zij in augustus 2021 slechts tijdelijk in Marokko heeft verbleven en daarna definitief is teruggekeerd naar Nederland en dat zij gedurende de gehele te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft gehad. Dit wordt hierna toegelicht.
4.5.4.Het enkele feit dat appellante in de Brp op het opgegeven adres in Vught stond ingeschreven en daar een woning huurde, biedt geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat zij vanaf 2 augustus 2021 weer was teruggekeerd naar Nederland en op dat adres feitelijk haar hoofdverblijf had. Aan de inschrijving in de Brp komt bij de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft namelijk geen doorslaggevende betekenis toe.Bovendien heeft het college er ter zitting op gewezen dat appellante pas per 1 november 2021 in de Brp is uitgeschreven uit de gemeente Vught, terwijl vaststaat dat zij al vanaf 1 oktober 2021 niet meer in die gemeente woonde.
4.5.5.Ook de overige door appellante overgelegde stukken bieden geen toereikende feitelijke grondslag voor die conclusie. Zo geeft de eindafrekening van het waterbedrijf geen inzicht in de feitelijke bewoning van de woning op het opgegeven adres en ook niet in het waterverbruik in de te beoordelen periode. De brieven van de Svb en van de woonstichtingen en het feit dat de brieven zijn gericht aan appellante op het uitkeringsadres geven ook geen inzicht in de feitelijke bewoning van de woning op het opgegeven adres. Zo al moet worden aangenomen dat appellante fysiek aanwezig was bij de woninginspectie op 7 september 2021 – het college heeft dit ter zitting gemotiveerd betwist –, maakt dat op zichzelf niet aannemelijk dat appellante (definitief) was teruggekeerd naar Nederland en feitelijk in die woning verbleef.