ECLI:NL:CRVB:2026:293

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/2537 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens gebrek aan noodzakelijkheid

Appellante diende op 22 februari 2021 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten bij het college van burgemeester en wethouders van Leiden. De verhuizing vond plaats op 13 maart 2021 van een woning in Alphen aan den Rijn naar Leiden. Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was en de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet hoefde aan te tonen dat de verhuizing noodzakelijk was, omdat verhuizen een vrije keuze is en de kosten daarom verondersteld noodzakelijk zouden zijn. De Raad verwierp dit standpunt en benadrukte dat bij bijzondere bijstand de noodzaak van de kosten individueel moet worden beoordeeld. Het enkele feit dat mensen vaker verhuizen maakt een verhuizing niet automatisch noodzakelijk in de zin van onvermijdbaarheid.

Appellante heeft het standpunt van het college dat zij de noodzakelijkheid niet aannemelijk heeft gemaakt niet inhoudelijk weersproken. Daarom is de afwijzing van de aanvraag terecht. Wel kent de Raad appellante een schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 467 voor het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten wordt afgewezen wegens gebrek aan noodzakelijkheid, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2537 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2023, 21/7129 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 10 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) voor verhuiskosten. Aan de afwijzing van de aanvraag ligt onder meer ten grondslag dat de verhuizing niet noodzakelijk was en dat de met de verhuizing samenhangende kosten dan ook niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. Appellante is het daar niet mee eens, maar zij krijgt geen gelijk. Wel kent de Raad appellante een schadevergoeding toe van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 januari 2026, waar de zaak gelijktijdig is behandeld met zaak 23/2254 PW van de zoon van appellante. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Bergacker en F. Silva de Jesus. In zaak 23/2254 PW is vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 22 februari 2021 heeft appellante een aanvraag bij het college ingediend om bijzondere bijstand op grond van de PW voor onder meer verhuiskosten. Op dat moment woonde zij nog samen met haar zoon in een woning in de gemeente Alphen aan den Rijn. Appellante en haar zoon zijn op 13 maart 2021 naar een woning in de gemeente Leiden verhuisd. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en, eerst in de gemeente Alphen aan den Rijn en vervolgens in de gemeente Leiden, in aanvulling daarop bijstand op grond van de PW.
1.2.
Met een besluit van 9 april 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 september 2021 (bestreden besluit), heeft het college onder meer de aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de verhuiskosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet noodzakelijk waren en bovendien niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De Raad komt verder tot het oordeel dat aan appellante een schadevergoeding moet worden toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Afwijzing aanvraag voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten
4.1.
Gelet op de uitspraak in de zaak 23/2254 PW van de zoon van appellante en hetgeen is besproken ter zitting, is tussen partijen alleen de afwijzing om bijzondere bijstand voor de verhuiskosten in geschil.
4.2.
Volgens het college is niet gebleken dat de verhuizing noodzakelijk was. Appellante had een wens om naar [woonplaats] te verhuizen, omdat zij beweerdelijk problemen met de gemeente Alphen aan den Rijn ervaarde en het de bedoeling was dat haar zoon op termijn in [woonplaats] begeleid zou gaan wonen. De gestelde problemen met de gemeente Alphen aan den Rijn heeft appellante echter niet onderbouwd en het gestelde mogelijk toekomstige begeleid wonen levert evenmin een noodzaak voor een verhuizing op. De huur van de woning in [woonplaats] was bovendien hoger dan die van de woning in Alphen aan den Rijn.
4.3.
Appellante heeft daartegen aangevoerd dat zij in het geheel niet aannemelijk hoeft te maken dat een verhuizing noodzakelijk is. Iedereen verhuist wel een paar keer in zijn leven en een verhuizing betreft een vrije keus en daaruit vloeit voort dat de noodzaak van de verhuizing verondersteld dient te worden. Deze grond slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.3.1.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.3.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet – als de grondslag van het bestreden besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven – eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte. De vraag of de verhuizing zelf noodzakelijk is, is van belang in het kader van de vraag of de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn.
4.3.3.
Er bestaat geen grondslag voor het aannemen van een vooronderstelling over de noodzakelijkheid van een verhuizing zoals appellante voorstaat. Het enkele feit dat de meeste mensen in hun leven wel een paar keer verhuizen en dat kosten van een verhuizing behoren tot de incidenteel algemeen noodzakelijke bestaanskosten, maakt nog niet dat een verhuizing en de daarmee gepaard gaande kosten steeds noodzakelijk zijn, in de zin van onvermijdbaar, en dat de noodzakelijkheid van het maken van die kosten geen afzonderlijke beoordeling behoeft in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand. Dat het een betrokkene vrij staat om te verhuizen staat niet ter discussie. Dat betekent echter nog niet dat de consequenties van die vrije keuze kunnen worden afgewenteld op de bijstand.
4.4.
Appellante heeft het standpunt van het college dat zij de noodzakelijkheid van de verhuizing niet aannemelijk heeft gemaakt, verder inhoudelijk niet weersproken. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook alleen al op deze grond terecht afgewezen. Wat appellante voor het overige tegen de andere grondslagen van het bestreden besluit heeft aangevoerd, hoeft verder niet te worden besproken.
Schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn
4.5.
Appellante heeft ter zitting een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Deze schadevergoeding zal worden toegekend. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.5.1.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.5.2.
Vanaf de indiening van het bezwaarschrift van appellante op 20 mei 2021 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en (afgerond) tien maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten in stand blijft. Verder wordt de Staat veroordeeld tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.1.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Wel bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) L. van Beelen

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.