ECLI:NL:CRVB:2026:300

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/1576 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 11 lid 4 PWArt. 45 lid 4 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inhouding op bijstand gehuwden wegens schuld partner niet onrechtmatig

Appellante en haar partner ontvangen bijstand naar de norm voor gehuwden, waarbij de uitbetaling gesplitst plaatsvindt. Het dagelijks bestuur hield vanaf 1 juli 2023 maandelijks 5% van de bijstand in ter aflossing van een schuld van de partner, waarbij ook het deel van appellante werd ingehouden. Appellante maakte bezwaar tegen deze inhouding en tegen een uitkeringsspecificatie, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard of ongegrond.

De rechtbank oordeelde dat appellante geen individueel uitkeringsrecht heeft en dat de inhouding op de gezamenlijke uitkering rechtmatig is. Appellante stelde in hoger beroep dat de uitkeringsspecificatie wel een nieuw besluit vormde en dat de inhouding op haar deel onrechtmatig was, mede onder verwijzing naar artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het recht op bijstand gezamenlijk toekomt aan echtgenoten en dat de gesplitste uitbetaling slechts de uitvoering betreft, niet het bestaan van een individueel recht. De inhouding op het deel van appellante is daarom toegestaan. Ook is de uitkeringsspecificatie geen besluit in de zin van de Awb, zodat bezwaar niet ontvankelijk is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.

Uitkomst: De inhouding op het deel van de bijstand van appellante wegens schuld van haar partner is rechtmatig en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1576 PW, 24/2576 PW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juni 2024, 23/5444 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 oktober 2024, 24/3080 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 10 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over inhoudingen op de uitbetaling van de bijstand naar de norm voor gehuwden die appellante en haar partner X ontvangen. Aan beiden wordt de helft van de bijstand uitbetaald. Appellante is van mening dat de inhoudingen op de bijstand voor de schulden van haar partner, niet op haar deel van de uitbetaling in mindering mogen worden gebracht. Zij krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E. Jalandoni, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaken niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante en haar partner X ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Appellante krijgt de bijstand maandelijks voor de helft uitbetaald. Dit geldt ook voor X.
1.2.
Met een e-mailbericht van 2 juni 2023 heeft de bewindvoerder van appellante het dagelijks bestuur verzocht om te bevestigen dat appellante al haar schulden heeft afbetaald en verzocht om voortaan geen bedragen op de bijstand van appellante in te houden. Met een e-mailbericht van 5 juni 2023 heeft een medewerker van de afdeling terugvordering van het dagelijks bestuur geantwoord dat het restant van de openstaande vordering voor appellante wordt kwijtgescholden. Verder heeft de medewerker het volgende vermeld:
“Voor wat betreft uw vragen over de inhouding op de uitkering. Blh en [X] ontvangen een gezamenlijke uitkering. [X] is nog wel verantwoordelijk voor de aflossing van het openstaande bedrag. Er zal ingaande 1 juli 2023 5% van de bijstandsnorm worden ingehouden ter aflossing van de vordering. Om blh. evt tegemoet te komen kunnen wij bij uitzondering 5% van de alleenstaandennorm inhouden. Echter het blijft een inhouding op de gehuwdenuitkering. Pas nadat alle inhoudingen zijn gedaan kan onder aan de streep het restant van de uitkering aan een ieder betaald worden. Het is niet mogelijk de inhouding enkel op [X] zijn deel van de uitkering in te houden. [Appellante] en [X] zullen dit samen onderling financieel moeten regelen.”
1.3.
Het dagelijks bestuur heeft met een besluit van 7 juni 2023 bepaald dat het restant van de openstaande vordering van € 348,33 voor appellante wordt kwijtgescholden. Daarbij heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat X nog wel verantwoordelijk is voor de terugbetaling van de openstaande vordering. Ter aflossing daarvan zal het dagelijks bestuur met ingang van 1 juli 2023 bij (hoge) uitzondering maandelijks een bedrag van 5% van de alleenstaandennorm (in plaats van de gehuwdennorm) op de bijstand inhouden. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Het dagelijks bestuur heeft in augustus 2023 een uitkeringsspecificatie over juli 2023 aan de bewindvoerder van appellante toegezonden. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.5.
Op 10 augustus 2023 is door een deurwaarderskantoor beslag gelegd op de bijstand van appellante en X. Met een brief van 15 augustus 2023 heeft het dagelijks bestuur appellante geïnformeerd over deze beslaglegging en te kennen gegeven dat momenteel een eigen vordering met haar bijstand wordt verrekend zodat er geen gelden voor het beslag kunnen worden ingehouden.
1.6.
Het dagelijks bestuur heeft met een besluit van 17 oktober 2023 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen de uitkeringsspecificatie niet-ontvankelijk verklaard. Het bedrag van € 165,70 (bronheffing CVZ ten behoeve van X) wordt al vanaf juni 2023 maandelijks ingehouden, zodat het inhouden van dit bedrag in juli 2023 een herhaald besluit betreft waartegen geen bezwaar openstaat. Over het bedrag van € 60,83 heeft het dagelijks bestuur erop gewezen dat met het besluit van 7 juni 2023 aan appellante kenbaar is gemaakt dat dit met ingang van 1 juli 2023 op de bijstand zal worden ingehouden. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. De uitkeringsspecificatie over juli 2023 is een herhaling van het besluit van 7 juni 2023, zodat hiertegen ook geen bezwaar openstaat, aldus het dagelijks bestuur.
1.7.
Met een brief van 23 januari 2024 heeft het dagelijks bestuur aan appellante medegedeeld dat het vakantiegeld met ingang van januari 2024 maandelijks wordt uitbetaald, omdat er beslag is gelegd op de bijstand van appellante. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.8.
Het dagelijks bestuur heeft met een besluit van 13 februari 2024 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante tegen de brief van 23 januari 2024 voor zover dat ziet op de maandelijks uitbetaling van het vakantiegeld niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar voor zover dat ziet op het beslag ongegrond verklaard. Appellante is geen zelfstandig subject van bijstand en er is dus geen eigen deel van bijstand. Appellante en X zijn beiden rechthebbenden voor de bijstand en hun schulden zijn daarmee van invloed op de gezamenlijke bijstand. Het dagelijks bestuur mag de geldigheid en omvang van het beslag niet beoordelen. Er bestaat ook geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het beslag, of dat dit in strijd is met wettelijke bepalingen.
De uitspraken van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 (aangevallen uitspraak 1) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de rechtbank, samengevat, ten grondslag gelegd dat in het besluit van 7 juni 2023 staat dat appellante en X een gezamenlijke uitkering ontvangen en dat per 1 juli 2023 maandelijks een bedrag ter hoogte van 5% van de alleenstaandennorm zal worden ingehouden. Uit de uitkeringsspecificatie van juli 2023 volgt dat een bedrag van € 60,83 (zijnde 5% van de alleenstaandennorm) wordt ingehouden op de gezamenlijke uitkering. Er komen in de uitkeringsspecificatie van juli 2023 dus geen nieuwe elementen tot uiting ten opzichte van het besluit van 7 juni 2023. Daarom is de uitkeringsspecificatie van juli 2023 geen besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat tegen deze uitkeringsspecificatie geen bezwaar kon worden gemaakt en dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank wijst hierbij op rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [1] De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het besluit van 7 juni 2023 anders uitgelegd moet worden. In het besluit van 7 juni 2023 wordt benadrukt dat appellante en X een gezamenlijke uitkering ontvangen, waarop de inhouding plaatsvindt. Dat de gezamenlijke uitkering door het dagelijks bestuur gesplitst wordt uitbetaald, betekent niet dat sprake is van aparte uitkeringsrechten voor appellante en X waarop apart inhoudingen kunnen plaatsvinden. Op grond van artikel 11, vierde lid, van de PW komt het recht op bijstand eiseres en X gezamenlijk toe. Appellante is dus geen zelfstandig subject van bijstand, waardoor het dagelijks bestuur niet bevoegd is om de bijstand voor appellante apart vast te stellen. Dat het college wel bevoegd is om op grond van artikel 45, vierde lid, van de PW de bijstandsuitkering gesplitst uit te betalen, maakt niet dat de inhoudingen op appellante en/of X apart kunnen worden toegepast. Er blijft namelijk sprake van een ondeelbaar recht op bijstand.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 (aangevallen uitspraak 2) ook ongegrond verklaard. Daaraan heeft de rechtbank, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellante samen met X recht heeft op de volledige gehuwdenbijstand. Dat sprake is van een gesplitste betaling, maakt niet dat er een individueel uitkeringsrecht bestaat. Daarom kan de stelling van appellante dat het beslag niet kon worden gelegd op de helft van de gehuwdenbijstand die aan haar moest worden uitbetaald, omdat zij zelf geen schuld had aan de beslaglegger, geen stand houden. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Raad van 7 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:930. De verwijzing van appellante naar artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) leidt niet tot een ander oordeel, omdat er in dit geval geen sprake is van een individueel uitkeringsrecht.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens.
3.1.
Appellante heeft in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de uitkeringsspecificatie van juli 2023 geen nieuwe elementen tot uiting zijn gekomen ten opzichte van het besluit van 7 juni 2023. Pas in de uitkeringsspecificatie van juli 2023 ziet appellante dat de inhouding van 5% ook op haar deel van de uitkering (en niet alleen op het deel van haar partner) is toegepast. Daarmee is het haar voor het eerst duidelijk geworden wat de uitvoering van het besluit van 7 juni 2023 inhoudt. De inhouding van de aflossing op het deel van de uitkering van appellante is een nieuw en wezenlijk element dat niet afgeleid had kunnen worden uit het besluit van 7 juni 2023, waardoor de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De essentie van de zaak is dat appellante van oordeel is dat een beslaglegging of inhouding van een vordering die specifiek verband houdt met X niet op het deel van de bijstand van appellante ingehouden kan en mag worden.
3.2.
Appellante heeft in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2, samengevat, aangevoerd dat haar aanspraak op uitbetaling van de helft van de bijstand naar de gehuwdennorm onder de reikwijdte valt van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De inhouding op haar deel van de bijstand is een ongerechtvaardigde inbreuk.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 1 over het nietontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van juli 2023 en bestreden besluit 2 over het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar, voor zover dat ziet op de maandelijkse uitbetaling van het vakantiegeld, en het ongegrond verklaren van het bezwaar, voor zover dat ziet op het beslag, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in de hoger beroepen heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. De wettelijke regels en verdragsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Raad stelt vast dat in beide zaken de vraag voorligt of sprake is van een individuele aanspraak op de helft van de bijstand en of een beslaglegging of inhouding van een vordering waarvoor X aansprakelijk is niet op het deel van de bijstand dat aan appellante uitbetaald wordt, ingehouden kan en mag worden. In de eerste zaak, 24/1576 PW, ligt ook de vraag voor of sprake is van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Individuele aanspraak op de helft van de bijstand?
4.2.
Appellante en X hebben gezamenlijk recht op de volledige gehuwdenbijstand. Dat volgt uit artikel 11, vierde lid, van de PW. Dat in beginsel de bijstand aan elk van de gehuwden voor de helft wordt betaald, maakt dit niet anders. Die gesplitste betaling, geregeld in artikel 45, vierde lid, van de PW, ziet immers enkel op de uitvoering van de wet, namelijk op de wijze van uitbetaling van het recht. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de gesplitste uitbetaling is ingevoerd met het oog op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. [2] In de memorie van toelichting bij de herinrichting van de Algemene Bijstandswet staat daarover verder onder meer het volgende: “Gesplitste uitbetaling dient de regel te zijn, teneinde een zo zuiver mogelijke aansluiting te bereiken bij het uitgangspunt dat de gezinsbijstand de echtgenoten gezamenlijk toekomt. Dit impliceert evenwel niet dat voor de echtgenoten een strikt individueel uitkeringsrecht bestaat. Het uitkeringsrecht wordt, aan de hand van de gezamenlijke behoeften en middelen, als geheel vastgesteld, waarbij beide echtgenoten een gelijke aanspraak op de gezinsbijstand kunnen doen gelden.”
4.2.1.
De stelling van appellante dat het beslag niet kon worden gelegd op de helft van de gehuwdenbijstand die aan haar moest worden uitbetaald, omdat zij geen schuld had aan de beslaglegger, houdt dan ook geen stand. De rechtbank heeft op dit punt met juistheid de rechtspraak van de Raad aangehaald. [3]
4.2.2.
Om dezelfde reden slaagt het beroep op het verbod van ontneming van eigendom niet. Appellante heeft geen individueel uitkeringsrecht waarop door de beslaglegging voor de schuld van een ander inbreuk wordt gemaakt. Voor het overige geldt als vaste rechtspraak dat indien appellante van mening is dat de deurwaarder bij het leggen van het beslag en/of het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet heeft gehandeld in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, zij zich hieromtrent tot de civiele rechter dient te wenden. [4]
Bestreden besluit 1
4.3.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb, staat bezwaar en beroep slechts open tegen besluiten.
4.3.1.
Volgens vaste rechtspraak ligt aan elke betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. [5]
4.3.2.
Het college heeft in het besluit van 7 juni 2023 te kennen gegeven dat appellante en X gezamenlijk bijstand ontvangen en dat per 1 juli 2023 maandelijks een bedrag ter hoogte van 5% van de alleenstaandennorm zal worden ingehouden op de bijstand ter aflossing van de vordering. Anders dan appellante stelt komen er dan ook geen nieuwe elementen tot uiting in de uitkeringsspecificatie van juli 2023. Het besluit van 7 juni 2023 is gericht aan appellante en X en in het besluit staat met betrekking tot de 5% inhouding: “
Ingaande 1 juli 2023 zal er (bij hoge uitzondering) maandelijks een bedrag ter hoogte van 5% van de alleenstaandenorm (ipv 5% van de gehuwdennorm) worden inhouden op uw uitkering ter aflossing van de vordering.”In het besluit van 7 juni 2023 staat niet dat de inhouding van 5% alleen ziet op het deel van de bijstand van X. De uitkeringsspecificatie is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, is juist.

Conclusie en gevolgen

4.4.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de besluitvorming in stand blijft.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke en verdragsregels

Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
Onder besluit wordt vers​taan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 11, vierde lid, van de Participatiewet
Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.
Artikel 45, vierde lid, van de Participatiewet
De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
Artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1171.
2.Kamerstukken II, 1991/91, 22545, nr. 3, p. 58-59.
3.Zie de uitspraak van 7 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:930.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:992.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1801.