ECLI:NL:CRVB:2026:308

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/1845 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij beoordeling verstreken periode jeugdhulp

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag betreffende de toekenning van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) over verschillende perioden van 2019 tot 2021. De rechtbank had de bestreden besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen te nemen, wat het college heeft gedaan met een nadere besluit.

Appellant was het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en het nadere besluit en voerde aan dat hij schade had geleden doordat zijn moeder hem jeugdhulp had verleend zonder vergoeding. De Raad heeft ambtshalve onderzocht of appellant nog procesbelang had bij de beoordeling van het hoger beroep en het beroep tegen het nadere besluit.

De Raad oordeelde dat procesbelang ontbreekt omdat het geschil betrekking heeft op een reeds verstreken periode en appellant niet heeft aangetoond dat hij kosten heeft gemaakt of een betalingsverplichting is ontstaan. Er zijn geen facturen of concrete vorderingen overgelegd. Hierdoor is het op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep en het beroep tegen het nadere besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Tevens werd appellant niet in de proceskosten of griffierechtvergoeding toegelaten.

Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het nadere besluit worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1845 JW, 24/1846 JW, 25/2536 JW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024, 20/3003, 21/930 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
SAMENVATTING
Het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak en het beroep tegen het nadere besluit zijn vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. R.M. Noorlander, advocaat, de gronden ingediend.
Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de beslissing op bezwaar van 6 februari 2025, aangevuld op 24 maart 2025 (nader besluit), genomen. Appellant heeft op dit besluit een reactie gegeven.
Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 december 2025, gelijktijdig met de zaak met nummer 24/1840 en het hoger beroep van [naam 1] (in de zaken met de nummers 24/1843 en 24/1844) en van [naam 2] (in de zaken met de nummers 24/1838 en 24/1839). Voor appellant is mr. Noorlander verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Mauricio de Oliveira.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met drie besluiten van 12 juli 2019, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 2 maart 2020 (bestreden besluit 1), heeft het college aan appellant jeugdhulp toegekend over de periode van 13 mei 2019 tot en met 17 mei 2020 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Dit betreft persoonlijke verzorging (informeel) voor 2 uur en 50 minuten per week, begeleiding individueel (informeel) voor 33 uur per jaar, begeleiding individueel categorie 2 (formeel) voor 7 uur en 55 minuten per week en in totaal 277 uur voor vakantie, begeleiding bij vervoer en de periode dat appellant minder dagen naar Kentalis ging.
1.2.
Met vier besluiten van 19 juni 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 7 januari 2021 (bestreden besluit 2), heeft het college aan appellant jeugdhulp toegekend in de vorm van een pgb. Dit betreft voor de periode van 18 mei 2020 tot en met 30 augustus 2020 persoonlijke verzorging (informeel) voor 2 uur en 50 minuten per week en begeleiding individueel (informeel) voor 7 uur en 55 minuten per week en 6 uur per week voor vervoer en 4 uur per vakantieweek. Over de periode 31 augustus 2020 tot en met 29 augustus 2021 betreft dit persoonlijke verzorging (informeel) voor 4 uur en 5 minuten per week en begeleiding individueel (informeel) voor 7 uur en 45 minuten per week en 5 uur en 50 minuten voor vervoer en 4 uur en 30 minuten per vakantieweek.
1.3.
Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het college bij besluiten van 15 maart 2021 en 14 juni 2023 de toegekende pgb's voor de inkoop van begeleiding individueel aangepast, in die zin dat deze pgb's alsnog worden toegekend tegen het formele tarief van € 54,- per uur.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten zoals nader gewijzigd bij de besluiten van 15 maart 2021 en 14 juni 2023 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Verder heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot betaling aan appellant van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Nader besluit
3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college het nadere besluit genomen. Hierbij heeft het college aan appellant jeugdhulp toegekend in de vorm van een pgb. De door de rechtbank geconstateerde gebreken konden volgens het college niet meer met terugwerkende kracht worden hersteld. Daarom heeft het college aangesloten bij de door appellant overgelegde nota’s en besloten om naast de per eerdere besluiten toegekende bedragen aan jeugdhulp een bedrag van € 24.548,70 toe te kennen. Hiermee wordt appellant in staat gesteld om alle aan het college bekendgemaakte nota’s te voldoen.
Het standpunt van appellant
4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Ook is hij het niet eens met het nadere besluit. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Het nadere besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.
5.2.
De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep en het beroep dat tegen het nadere besluit is gericht. De Raad oordeelt dat dat niet het geval is.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden. [1]
Hoger beroep
5.4.
De Raad staat voor de vraag of appellant nog procesbelang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Volgens vaste rechtspraak is daarvoor bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. [2] In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de bestreden besluiten vernietigd en het college opdracht gegeven nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Met het nadere besluit heeft het college uitvoering gegeven aan deze opdracht. Er is niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat een beoordeling door de Raad van de juistheid van het rechtbankoordeel over de bestreden besluiten voor appellant nog feitelijke betekenis heeft. Datzelfde geldt voor een beoordeling door de Raad van de bestreden besluiten. Vastgesteld wordt daarom dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak of de bestreden besluiten.
Beroep tegen het nadere besluit
5.5.
Appellant heeft tegen het nadere besluit aangevoerd dat hij ook de kosten vergoed wil zien voor de persoonlijke verzorging die zijn moeder heeft geleverd. Het gaat hierbij om ongeveer 7 uur per week over de periode 1 april 2019 tot en met 29 augustus 2021.
5.6.
Het geschil betreft de beoordeling van een reeds verstreken periode. Desgevraagd heeft gemachtigde van appellant ter zitting betoogd dat het procesbelang is gelegen in de omstandigheid dat appellant schade heeft geleden doordat zijn moeder aan hem jeugdhulp heeft verleend en hiervoor geen vergoeding heeft gekregen. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellant kosten heeft gemaakt, dan wel dat een betalingsverplichting voor hem is ontstaan vanwege aan hem geleverde extra ondersteuning in de hier voorliggende verstreken periode. Namens appellant is meegedeeld dat er geen facturen zijn ten aanzien van dergelijke uren en niet is gebleken dat er op dit punt een concrete vordering ligt. Gelet op deze omstandigheden acht de Raad het op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden.
5.7.
Gelet op het voorgaande heeft appellant geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het nadere besluit.

Conclusie en gevolgen

6. De overwegingen 5.2 tot en met 5.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep en het beroep tegen het nadere besluit niet-ontvankelijk zijn wegens het ontbreken van procesbelang.
7. Er bestaat geen aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Appellant krijgt ook geen vergoeding van het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 6 februari 2025, aangevuld bij besluit van 24 maart 2025, niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
(getekend) C.W.C.A. Bruggeman
(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
2.Uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.