ECLI:NL:CRVB:2026:339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening en noodopvang Wmo 2015 bevestigd
Appellante, geboren in 1993, heeft samen met haar twee minderjarige kinderen een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om opvang te verkrijgen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees dit verzoek af omdat appellante voldoende zelfredzaam is en niet voldoet aan de regiobindingseis voor toegang tot de Amsterdamse noodopvang.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit van het college. De rechtbank oordeelde dat appellante geen problemen heeft met het zich handhaven in de samenleving, gezien haar bijstandsuitkering, zorgtoeslag, kinderbijslag, kindgebonden budget, eerdere zelfstandige woonervaringen en deelname aan schuldhulpverlening. Ook ontbraken medische stukken die haar onzelfredzaamheid zouden aantonen. De rechtbank bevestigde dat de Wmo 2015 niet bedoeld is om het tekort aan betaalbare woonruimte op te lossen.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel recht heeft op opvang, mede omdat zij en haar kinderen de woning van haar stiefmoeder moeten verlaten. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde echter dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank zouden wijzigen. Daarnaast kon appellante niet aannemelijk maken dat zij tussen 2019 en 2021 wegens studie in het Verenigd Koninkrijk woonde, waardoor geen uitzondering op de regiobindingseis kon worden gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de afwijzing van de maatwerkvoorziening en de weigering van toegang tot de noodopvang in stand blijven. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor maatwerkvoorziening en noodopvang op grond van de Wmo 2015 wordt bevestigd.