ECLI:NL:CRVB:2026:343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/1057 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-uitbetaling WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag

Appellant trad op 5 februari 2024 in dienst bij een werkgever en beëindigde zijn dienstverband per direct op 25 maart 2024 wegens vermeend onprofessioneel gedrag en privacyschending door de werkgever. Hij vroeg een WW-uitkering aan per 22 maart 2024. Het Uwv kende aanvankelijk een WW-uitkering toe, maar trok deze later in en besloot de uitkering niet uit te betalen omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door eigen ontslag zonder dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing. De rechtbank oordeelde dat de privacyschending door de werkgever niet ernstig genoeg was om voortzetting van het dienstverband onredelijk te maken. Appellant stelde dat een onveilige werkomgeving en psychische belasting, gecombineerd met de privacyschending, voortzetting onmogelijk maakten, maar kon dit niet concreet onderbouwen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Volgens de WW-wetgeving is een werknemer die zelf ontslag neemt in beginsel verwijtbaar werkloos, tenzij voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Appellant slaagde er niet in deze uitzondering aannemelijk te maken. Het hoger beroep werd verworpen en het besluit tot niet-uitbetaling van de WW-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De WW-uitkering wordt niet uitbetaald omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door eigen ontslag zonder gegronde reden.

Uitspraak

25/1057 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2025, 24/6413 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 maart 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt in deze zaak dat het Uwv terecht heeft beslist dat de WW-uitkering van appellant per 22 maart 2024 niet wordt uitbetaald, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Op 5 februari 2024 is appellant in dienst getreden bij [ex-werkgever] B.V (ex-werkgever). Met een e-mail van 25 maart 2024 heeft appellant per direct zijn dienstverband beëindigd wegens onder meer gesteld onprofessioneel gedrag op de werkvloer en schending van zijn privacy door zijn exwerkgever.
1.2.
Op 15 april 2024 heeft appellant bij het Uwv per 22 maart 2024 een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.3.
Met een besluit van 16 april 2024 heeft het Uwv aan appellant per 22 maart 2024 tot en met 21 juni 2024 een WW-uitkering toegekend. Met een besluit van 3 juni 2024 heeft het Uwv het besluit van 16 april 2024 ingetrokken. In het besluit van 3 juni 2024 heeft het Uwv beslist dat appellant vanaf 22 maart 2024 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald. Daarbij heeft het Uwv beslist dat het bedrag aan WW-uitkering dat appellant van 22 maart 2024 tot en met 30 april 2024 heeft ontvangen niet van hem wordt teruggevorderd. Aan het besluit van 3 juni 2024 heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zelf ontslag heeft genomen, terwijl geen sprake was van de situatie dat voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juni 2024.
1.4.
Met een beslissing op bezwaar van 4 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, omdat appellant zelf ontslag heeft genomen zonder dat aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Uit de stukken blijkt dat de ex-werkgever persoonsgegevens van appellant (naam, adres en telefoonnummer) met een e-mail van 21 maart 2024 heeft gedeeld met de andere werknemers van het bedrijf. Met een e-mail die ’s avonds op 21 maart 2024 is verzonden heeft de ex-werkgever hiervoor excuses gemaakt en de andere werknemers verzocht om de gegevens te verwijderen. De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van de exwerkgever niet een dusdanige inbreuk op het recht op privacy van appellant oplevert dat voortzetting van het dienstverband niet meer van hem kon worden gevergd. De exwerkgever heeft een fout gemaakt en heeft geprobeerd die fout zo snel mogelijk te herstellen. Het beroep van appellant op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 maart 2023 [1] leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft van belang geacht dat in die zaak sprake was van een zeer ernstige inbreuk op het vertrouwen en schending van de privacy van betrokkene in een situatie die naar het oordeel van de rechtbank geenszins vergelijkbaar is met de situatie van appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Appellant heeft aangevoerd dat een door hem ervaren onveilige werkomgeving bij hem tot zodanige psychische belasting heeft geleid dat, in combinatie met de privacyschending door de ex-werkgever, voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd. Appellant heeft aangevoerd dat de schending van de privacy de spreekwoordelijke druppel was die de emmer deed overlopen na door hem ervaren onveiligheid op de werkvloer. Bij een training van negen weken die hij van de ex-werkgever moest volgen leidde het gedrag van trainers en collega’s tot toenemende stress. Volgens appellant heeft dit tot een zodanige psychische belasting geleid dat voortzetten van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW bepaalt dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
5.2.
Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt, voor zover hier van belang, dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.
5.3.
Bij het voorgaande geldt als uitgangspunt dat, in het geval de werknemer op eigen verzoek wordt ontslagen, de vraag of hij verwijtbaar werkloos is geworden een materiële beoordeling vereist. Een ontslagverzoek moet in de context worden bezien, temeer omdat een dergelijk verzoek de uitkomst kan zijn van een onderhandeling tussen de werkgever en de werknemer over de voorwaarden waaronder een door de werkgever gewenste beëindiging van de dienstbetrekking zijn vorm krijgt (zie onder meer de uitspraken van de Raad van 30 augustus 2023 en 16 december 2015). [2]
5.4.
Uit de wettelijke bepalingen volgt dat een werknemer die zelf ontslag neemt in beginsel verwijtbaar werkloos is. Dat is slechts anders als aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Het ligt op de weg van de werknemer om aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich voordoet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 februari 2023). [3]
5.5.
Wat appellant heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan wordt toegevoegd dat appellant niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, wat maakt dat de privacyschending de spreekwoordelijke druppel vormde die de emmer deed overlopen en hij niet ter zitting is verschenen om een toelichting te geven.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Er is geen grond om te oordelen dat het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit tot het niet uitbetalen van de WW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 7 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:541.
2.CRvB 30 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1675 en CRvB 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4598.
3.CRvB 16 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:304.