Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/1396 TBSH
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 ToescheidingsovereenkomstArt. 2 ToescheidingsovereenkomstArt. 3 ToescheidingsovereenkomstArt. 3 Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomstAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing tegemoetkoming ouderen Surinaamse herkomst wegens leeftijdsvoorwaarde

Appellant, geboren in 1956 in Suriname, verhuisde in 1974, 27 dagen voor zijn 18e verjaardag, naar Nederland. Hij vroeg een eenmalige tegemoetkoming van €5.000,- aan op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet aan de leeftijdsvoorwaarde voldeed dat men 18 jaar of ouder moest zijn bij aankomst in Nederland.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. De rechtbank oordeelde dat de leeftijdsgrens een politieke afweging is die gerespecteerd moet worden en dat appellant bewust en zelfstandig naar Nederland is verhuisd. Appellant stelde dat de strikte toepassing van de leeftijdsgrens onredelijk was en in strijd met diverse bestuursrechtelijke beginselen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de leeftijdsvoorwaarde een objectieve maatstaf is die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst en dat deze terughoudend getoetst kan worden. De Raad vond dat de toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend is. Er was geen beleidsruimte voor afwijking en het hoger beroep werd verworpen. De afwijzing van de tegemoetkoming blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming op grond van het TBSH wordt bevestigd vanwege het niet voldoen aan de leeftijdsvoorwaarde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1396 TBSH
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2025, 24/7123 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Appellant is vanuit zijn geboorteland Suriname naar Nederland verhuisd voordat Suriname op 25 november 1975 onafhankelijk werd. In verband daarmee heeft appellant verzocht om hem € 5.000,- toe te kennen op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Op deze aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat appellant jonger was dan 18 jaar toen hij in 1974 (27 dagen voor zijn 18de verjaardag) vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. De Raad oordeelt dat deze afwijzing stand houdt. De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH kan in het algemeen de hier aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan en toepassing van deze voorwaarde is in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Amrani, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Amrani. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. R. de Regt, mr. G.E. Eind, en mr. P. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.
1.1.
Appellant is op [geboortedatum] 1956 in Suriname geboren. Hij is op [datum] 1974 vanuit Suriname naar Nederland verhuisd. Daar heeft appellant, behoudens een periode in 1981 en 1982, tot op heden gewerkt en gewoond. Aan appellant is een AOW [1] -pensioen toegekend waarop een korting is toegepast omdat hij onder andere van 16 juli 1973 tot en met 19 augustus 1974 niet verzekerd was voor de AOW.
1.2.
Appellant heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. [2] Bij besluit van 14 augustus 2024, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 november 2024, is afwijzend op deze aanvraag beslist. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde in het TBSH dat hij achttien jaar of ouder was op het moment dat hij in Nederland kwam wonen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de leeftijdsgrens in het TBSH te verruimen of wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. Volgens de rechtbank ligt aan de in het TBSH gestelde leeftijdsvoorwaarde een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag die de rechtbank heeft te respecteren. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister, het onverplichte en begunstigende karakter van het Tijdelijk besluit dat is bedoeld als een gebaar van erkenning voor een geselecteerde groep ouderen van Surinaamse afkomst en de in dat verband dwingend vastgestelde toekenningsvoorwaarden, die de terughoudende toets kunnen doorstaan.
2.2.
De rechtbank vindt het aannemelijk dat appellant bewust en zelfstandig de keuze heeft gemaakt om zich in Nederland te vestigen. Hierin ziet de rechtbank echter geen aanleiding om te spreken van dusdanig bijzondere omstandigheden dat de uitkomst van het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij acht het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, en stelt zich op het standpunt dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid onvoldoende heeft benut. Appellant wijst erop dat hij slechts 27 dagen voor zijn achttiende verjaardag in Nederland is komen wonen. Hij was volledig betrokken bij de beslissing om te migreren en heeft zich, net als anderen uit de doelgroep, zelfstandig in Nederland gevestigd. Strikte toepassing van de leeftijdsgrens doet in zijn geval geen recht aan het doel en de strekking van de regeling: compensatie voor een specifieke, historisch benadeelde groep. Appellant verkeerde immers in dezelfde omstandigheden en heeft dezelfde migratiegeschiedenis als de doelgroep van het TBSH.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het TBSH en parlementaire stukken wijst de minister erop dat de leeftijdsgrens in het TBSH een weloverwogen politiek-bestuurlijke keuze is geweest. Appellant voldoet niet aan de voorwaarden voor de tegemoetkoming. Van een ongerechtvaardigd dan wel onevenredig onderscheid is geen sprake. De situatie van appellant onderscheidt zich niet van die van anderen die jonger waren dan achttien jaar toen zij voor 25 november 1975 vanuit Suriname naar Nederland kwamen. Van beleidsruimte of een discretionaire bevoegdheid is volgens de minister geen sprake. Ter zitting heeft de minister benadrukt dat het TBSH voorziet in een financieel gebaar zonder dat daartoe een juridisch bindende verplichting bestond en dat de doelgroep van het TBSH door de regelgever scherp en dwingend is afgebakend met objectieve criteria die eenvoudig zijn te hanteren om zo ongewenste uitbreidingen van de doelgroep te voorkomen en een snelle uitvoering van het TBSH te bevorderen. Gelet op die context ziet de minister geen ruimte om uitzonderingen te maken op de vereisten van artikel 3 van Pro het TBSH.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van Pro het TBSH.
5.2.
Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Dit is bepaald in artikel 3 van Pro het TBSH.
5.3.
Uit de nota van toelichting bij het TBSH blijkt dat met de voorwaarde dat de persoon 18 jaar of ouder was op het moment van de verhuizing naar Nederland, tot uitdrukking is gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest. Bij deze leeftijd kan er volgens de nota van toelichting van uitgegaan worden dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Deze leeftijd sluit, aldus de nota van toelichting, aan bij de Toescheidingsovereenkomst, waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken. [3] Uit de nota van toelichting kan verder worden afgeleid dat de regelgever bij de afbakening van het TBSH niet het oog heeft gehad op personen die op het moment van verhuizing naar Nederland te jong werden geacht om zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname te maken, maar die wel vervolgens, bij de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst en daarna, de keuze hebben gemaakt in Nederland te blijven. [4]
5.4.
Met de leeftijd van achttien jaar als moment waarop iemand bewust de keuze voor Nederland of Suriname kon maken, heeft de regelgever een objectiveerbare maatstaf aangelegd die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst. De regelgever heeft niet gekozen voor een reconstructie, tientallen jaren later, van de individuele omstandigheden en beweegredenen rondom de verhuizing van Suriname naar Nederland.
5.5.
Zoals de Raad gemotiveerd heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 april 2026, [5] kan deze keuze voor een leeftijdsvoorwaarde die aansluit bij artikel 1 van Pro de Toescheidingsovereenkomst, als objectiveerbare maatstaf of een welbewuste keuze is gemaakt voor verhuizing naar Nederland, de hier aan te leggen zeer terughoudende rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan. Toetsing aan het gelijkheidsbeginsel en de andere door appellant genoemde beginselen van behoorlijk bestuur leidt niet tot een ander oordeel. De vraag is echter of toepassing van deze leeftijdsvoorwaarde in de situatie van appellant onredelijk bezwarend uitpakt.
5.6.
Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval. Aan de leeftijdsvoorwaarde is onlosmakelijk verbonden dat degene die hieraan niet voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Dit is het beoogde resultaat van het stellen van deze voorwaarde. Er is niet gebleken dat die voorwaarde in het geval van appellant nadeliger uitpakt dan door de regelgever is beoogd. Ook verder is niet gebleken van omstandigheden waardoor het bestreden besluit voor appellant onredelijk bezwarend uitpakt. Dat aannemelijk is dat appellant destijds de situatie rondom het onafhankelijk worden van Suriname goed kon inschatten en actief heeft bijgedragen aan de beslissing van het gezin om naar Nederland te verhuizen, leidt niet tot een ander oordeel.
5.7.
Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de minister bij de uitvoering van het TBSH geen beleidsruimte. Wat appellant in dit verband over de afwijking van beleid heeft aangevoerd zal daarom niet verder worden besproken.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het TBSH in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname
Artikel 1
1. Meerderjarig in de zin van deze overeenkomst zijn zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden. (…)
Artikel 2
1. Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van het Nederlanderschap tot gevolg.
2. Het verkrijgen van het Nederlanderschap ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van de Surinaamse nationaliteit tot gevolg.
Artikel 3
De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst.
3.Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, p. 9.
4.Zie uitgebreider de uitspraak van de Raad van 9 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:359 , punt 9.5 en punt 9.8.
5.Uitspraak van de Raad van 9 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:359 punt 9.9 en punt 9.11.