Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:385

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/1398 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 14 PWArt. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor smartphonekosten wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden

Appellant, een bijstandsgerechtigde die onder de schuldsaneringsregeling valt, diende twee aanvragen in voor bijzondere bijstand voor de kosten van een smartphone. De eerste aanvraag werd afgewezen omdat de kosten werden gezien als schade, die niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend. De tweede aanvraag werd afgewezen omdat de kosten van een smartphone niet noodzakelijk zijn en de kosten van een gewone mobiele telefoon niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees de proceskosten toe aan het dagelijks bestuur. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht uitging van de eigen opgave van appellant dat de telefoon door hitte was beschadigd en dat nader onderzoek niet verplicht was. Verder werd geoordeeld dat het bezit van een smartphone weliswaar handig is, maar niet noodzakelijk in het individuele geval van appellant, die al over een computer beschikte en via een zorgbegeleider energietoeslag kon aanvragen.

Appellant maakte wel aannemelijk dat een gewone mobiele telefoon noodzakelijk was, maar niet dat hij niet kon reserveren voor de kosten daarvan. De omstandigheden van schuldsanering en voedselbankgebruik rechtvaardigden niet zonder meer bijzondere bijstand. Wel werd geoordeeld dat appellant recht had op vergoeding van proceskosten, waaronder reiskosten en griffierecht. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat het dagelijks bestuur niet in de proceskosten veroordeelde en bevestigde de rest van de uitspraak.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor smartphonekosten wordt bevestigd, maar het dagelijks bestuur wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1398 PW, 24/1399 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 mei 2024, 22/4767 en 23/2078 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 24 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over twee afwijzingen van aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van een smartphone, althans mobiele telefoon. Het dagelijks bestuur heeft de eerste aanvraag afgewezen omdat er sprake is van schade die niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend. Volgens appellant had het dagelijks bestuur onderzoek moeten doen naar de oorzaak van het kapotgaan van de telefoon. Het dagelijks bestuur heeft de tweede aanvraag afgewezen omdat de kosten voor een smartphone niet noodzakelijk zijn en de kosten van een gewone mobiele telefoon niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Volgens appellant is er wel sprake van noodzakelijk kosten en bijzondere omstandigheden. Hij heeft een smartphone nodig en kon niet reserveren voor de kosten daarvan. Appellant krijgt daarin geen gelijk. Appellant krijgt wel gelijk voor zover het hoger beroep zich richt tegen het door de rechtbank ten onrechte niet veroordelen van het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant in beroep.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van schade. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Met een brief van 3 juli 2025 (regiebrief) heeft de Raad de zaak uiteen gezet, het dagelijks bestuur en appellant vragen gesteld. De Raad heeft appellant onder meer gevraagd om zijn schulden en inkomsten ten tijde van de aanvragen inzichtelijk te maken. Ook heeft de Raad appellant verzocht om met concrete en verifieerbare gegevens te onderbouwen dat hij niet in staat was te reserveren. Appellant heeft gereageerd met brieven van 15 juli 2025, 28 augustus 2025, 2 september 2025 en 7 oktober 2025. Ook heeft appellant nadere stukken ingediend. Het dagelijks bestuur heeft de vragen uit de regiebrief beantwoord met een brief van 12 augustus 2025.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Op 21 juni 2022 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling over appellant uitgesproken. Op 22 juli 2022 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van een smartphone met oplader (aanvraag 1). Op het aanvraagformulier heeft appellant het volgende vermeld: ‘ouwe S5 telefoon heeft de hitte van 39 graden niet overleeft’.
1.2.
Met een besluit van 1 september 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 4 oktober 2022 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur aanvraag 1 afgewezen. Aan de afwijzing van aanvraag 1 ligt ten grondslag dat uit artikel 14, aanhef en onder c, van de PW volgt dat de kosten van geleden of toegebrachte schade niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend.
1.3.
Tijdens de zitting heeft appellant toegelicht dat hij op het moment dat zijn oude smartphone Samsung S5 telefoon stuk ging nog een smartphone had liggen (model S3) en dat hij deze vervolgens ook daadwerkelijk heeft gebruikt. Na een maand is echter ook deze smartphone kapotgegaan. Op 7 oktober 2022 heeft appellant vervolgens en omdat zijn smartphone (Samsung model S3) kapot is een tweede aanvraag ingediend voor de kosten van een smartphone met oplader (aanvraag 2).
1.4.
Met een besluit van 25 november 2022 heeft het dagelijks bestuur aanvraag 2 afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Om die reden is de aanvraag onder verwijzing naar het besluit van 1 september 2022 afgewezen. Met een besluit op bezwaar van 15 maart 2023 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur de afwijzingsgrond voor aanvraag 2 gewijzigd, omdat tijdens de hoorzitting in bezwaar vast is komen te staan dat het om vervanging van een andere telefoon ging dan waar bestreden besluit 1 op zag. Het dagelijks bestuur heeft aan de afwijzing van aanvraag 2 ten grondslag gelegd dat de kosten van vervanging van een smartphone en oplader behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel moeten worden bestreden uit het inkomen. Een smartphone is in het geval van appellant niet noodzakelijk en voor zover ook, subsidiair, een aanvraag om een gewone mobiele telefoon is gedaan geldt dat uit onderzoek van het dagelijks bestuur volgt dat de kosten van een eenvoudige mobiele telefoon rond de € 25,- liggen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden om tot verlening van bijstand over te gaan. Niet is gebleken dat appellant niet kon reserveren voor deze kosten.
1.5.
Tijdens de zitting heeft appellant toegelicht dat hij sinds oktober 2022 geen mobiele telefoon meer bezit en gebruikt en dat hij na de afwijzing van aanvraag 2 geen nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een smartphone met oplader heeft ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemeen wet bestuursrecht een wat betreft de hoorplicht in bezwaar geconstateerd gebrek gepasseerd en overwogen dat er geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten en terecht geen vergoeding voor proceskosten heeft toegekend aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep alleen wat betreft het niet toekennen van een vergoeding voor proceskosten slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Aanvraag 1
4.1.
Appellant heeft niet weersproken dat als de telefoon wel door hitte stuk is gegaan sprake is van schade in de zin van artikel 14, aanhef en onder c, van de PW. Appellant heeft wel aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming omdat het dagelijks bestuur heeft nagelaten de oorzaak van het kapotgaan van de telefoon te onderzoeken. Het staat namelijk niet vast dat de telefoon door hitte is stuk gegaan. Het zou ook door de ouderdom van de telefoon kunnen komen. Het dagelijks bestuur was er bij onderzoek naar de oorzaak van het stuk gaan dan wellicht achter gekomen dat de telefoon kapot is gegaan door normaal gebruik en ouderdom. Daarnaast heeft appellant wel bijzondere bijstand ontvangen voor onder andere de kosten van een matras, computer, televisie en een wasmachine. Bij deze kosten heeft het dagelijks bestuur niet tegengeworpen dat sprake is van schade. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.1.2.
Appellant heeft op het aanvraagformulier zonder voorbehoud vermeld dat de telefoon kapot is gegaan als gevolg van hitte. Niet valt in te zien waarom het dagelijks bestuur in dit geval niet uit mocht gaan van de eigen opgave van appellant en nader onderzoek had moeten verrichten naar de oorzaak van het stukgaan van de telefoon.
4.1.3.
Het enkele feit dat het dagelijks bestuur eerder bijzondere bijstand heeft verleend voor andere kosten en daarbij niet heeft tegengeworpen dat sprake was van schade in de zin van artikel 14, aanhef en onder c, van de PW, maakt niet dat het dagelijks bestuur dat bij onderhavige aanvraag ook niet mocht doen. Appellant heeft overigens niet gesteld en ook is niet gebleken dat appellant bij de aanvraag voor deze andere kosten te kennen heeft gegeven dat sprake was van schade. Het dagelijks bestuur heeft aanvraag 1 dan ook terecht afgewezen omdat artikel 14, aanhef en onder c, van de PW zich verzet tegen verlening van bijstand voor de kosten van een smartphone met oplader.
Aanvraag 2
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat de kosten voor een mobiele telefoon en in het bijzonder een smartphone noodzakelijk zijn. Hij moet bereikbaar kunnen zijn en hulpdiensten kunnen bellen. Iedereen heeft tegenwoordig een smartphone. Jongeren kunnen zelfs geen tien minuten meer zonder een smartphone. Dus appellant heeft ook een smartphone nodig. Een smartphone is verder noodzakelijk omdat daar apps op kunnen worden gezet, zoals om energietoeslag mee aan te vragen. Ook is een smartphone noodzakelijk voor het ontvangen van een NL Alert. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.2.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.2.3.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 van Pro de Wet werk en bijstand, welk artikel gelijkluidend was aan artikel 35 van Pro de PW, volgt dat het bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand gaat om de vraag of de gevraagde kosten in het concrete individuele geval van de aanvrager als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. [2] Anders dan appellant lijkt te betogen gaat het dus niet om de vraag of bepaalde kosten in het algemeen gangbaar zijn. Dat appellant graag over spullen beschikt waarover de meeste personen beschikken is begrijpelijk en het bezit van een smartphone is in het huidige maatschappelijke verkeer zeer handig, maar dat zijn op zich zelf bezien geen redenen voor verlening van bijzondere bijstand.
4.2.4.
Appellant heeft eerder bijzondere bijstand gekregen voor de kosten van een computer en beschikte ten tijde van belang over deze computer. Daarmee beschikte hij al over een digitaal hulpmiddel waarmee hij toegang tot het internet heeft. [3] Appellant betoogt dat hij daarnaast een smartphone nodig heeft. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval het kunnen beschikken over de functies van een smartphone die ontbreken op een normale mobiele telefoon (smartdeel) noodzakelijk is. Appellant heeft ter zitting niet kunnen duiden waarom hij met een mobiele telefoon zonder ‘smartdeel’ niet ook in geval van een noodsituatie hulpdiensten kan bereiken en een NL Alert kan ontvangen. Daarnaast heeft appellant tijdens de zitting toegelicht dat het aanvragen van de energietoeslag sinds oktober 2022 via een zorgbegeleider gaat en dat dit prima gaat. Voor het overige heeft appellant geen concrete omstandigheden genoemd die maken dat het ‘smartdeel’ van een mobiele telefoon in zijn geval noodzakelijk is.
4.2.5.
Voor zover de aanvraag ziet op de kosten van een mobiele telefoon (zonder smartdeel) wordt als volgt overwogen. Appellant heeft wel aannemelijk gemaakt dat een dergelijke gewone mobiele telefoon in zijn geval noodzakelijk is. Het dagelijks bestuur heeft dit ook niet met zoveel woorden weersproken maar stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden en dat appellant hiervoor had kunnen reserveren. Volgens appellant was er wel sprake van bijzondere omstandigheden. Appellant zat in de schuldsanering en ontving voedsel van de voedselbank en kon ook niet reserveren voor de kosten van een gewone mobiele telefoon. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.6.
De kosten van een mobiele telefoon behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten die in beginsel uit de bijstand dienen te worden betaald. Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Dit zijn de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot een algemeen gangbaar bestedingspatroon op minimumniveau. Alleen in (individuele) bijzondere omstandigheden is dan aanvullend bijzondere bijstand nodig. Om die reden kan alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatst genoemd kader moet worden beoordeeld.
4.2.7.
Het dagelijks bestuur heeft met stukken onderbouwd gesteld dat de kosten van een nieuwe eenvoudige mobiele telefoon rond de € 25,- liggen. Appellant heeft dit niet weersproken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van belang al geruime tijd maandelijks te weinig overhield om hiervoor te kunnen reserveren. De omstandigheden dat appellant ten tijde van de aanvraag recent tot de wettelijke schuldsaneringsregeling was toegelaten en steun van de voedselbank ontving, doet wel vermoeden dat hij op dat moment heel weinig bestedingsruimte had, maar rechtvaardigt op zich zelf bezien nog niet de conclusie dat hij niet voor de kosten van een eenvoudige mobiele telefoon had kunnen reserveren. Dat geldt ook voor het feit dat het vastgestelde vrij te laten bedrag hoger was dan het inkomen van appellant en dat daarom ook geen inhoudingen voor aflossing van zijn schulden plaatsvonden. Appellant heeft zijn standpunt dat hij niet kon reserveren namelijk niet gespecificeerd en niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd, ondanks dat hij hier met de regiebrief expliciet toe is uitgenodigd.
Proceskosten
4.3.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft veroordeeld in zijn proceskosten. Deze beroepsgrond slaagt. Weliswaar was er in de beroepsprocedure geen sprake van kosten in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, maar appellant heeft wel reiskosten gemaakt. Voor die kosten heeft appellant in beroep ook een vergoeding gevraagd, zoals blijkt uit het bij de rechtbank ingediende ‘Formulier proceskosten’. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het dagelijks bestuur niet heeft veroordeeld in de proceskosten in beroep van appellant. De aangevallen uitspraak zal, gelet op 4.1.2 tot en met 4.2.7, voor het overige worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand in stand blijven. Omdat geen sprake is van onrechtmatige besluiten moet het verzoek van appellant om het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van schade worden afgewezen.
5. Er bestaat aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 5,20 voor in beroep en € 64,20 voor in hoger beroep gemaakte reiskosten, in totaal dus € 69,40. Appellant krijgt ook het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het dagelijks bestuur niet heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
  • veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 69,40;
  • bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en M. Wolfrat en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Participatiewet
Artikel 14
In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot:
a. de voldoening aan alimentatieverplichtingen;
b. de betaling van een boete;
c. geleden of toegebrachte schade;
d. vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;
e. kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.
Artikel 35
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
(…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
2.Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 64.
3.Anders dan in de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:850.