Appellante, bekend met ADHD en traumatische ervaringen, vroeg op 28 maart 2022 Wlz-zorg aan. Het CIZ wees de aanvraag af omdat de grondslag verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld, wel een psychische stoornis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
Appellante voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij een blijvende behoefte aan 24-uurszorg heeft. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de medisch adviseurs van het CIZ voldoende gemotiveerd hadden dat de verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld en dat de beperkingen mede voortkomen uit ADHD en psychische problematiek.
Hoewel het CIZ aanvankelijk onvoldoende motiveerde dat de behoefte aan 24-uurszorg niet blijvend is, herstelde het dit in hoger beroep met een advies dat behandelingen nog niet zijn uitgeput en dat met adequate behandeling de zorgbehoefte kan afnemen. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand blijft, met verbetering van gronden, en veroordeelde het CIZ in de proceskosten van appellante.