Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:388

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/145 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 WlzArt. 3.2.3 WlzArt. 3.3.1 WlzArt. 3.3.3 WlzArt. 3.1.1 Blz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging 40-urennorm en afwijzing herziening persoonsgebonden budget langdurige zorg

Appellant, geïndiceerd voor zorgprofiel VV6, ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg die deels door zijn echtgenote wordt geleverd. Het zorgkantoor handhaafde de dwingendrechtelijke 40-urennorm voor zorgverleners, waardoor de echtgenote niet meer dan 40 uur per week zorg mag verlenen. Appellant verzocht om herziening van het pgb voor 2023 en 2024, onder meer vanwege een medische verslechtering en een aanvraag voor een ander zorgprofiel.

De rechtbank Limburg oordeelde dat het zorgkantoor de 40-urennorm terecht toepaste en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening van het pgb rechtvaardigden. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraken. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en stelt dat de dwingendrechtelijke norm niet leidt tot een onredelijk bezwarende uitkomst in deze zaak.

De Raad benadrukt dat het pgb is gebaseerd op het geïndiceerde zorgprofiel VV6 en dat een pgb voor 24-uurszorg of permanent toezicht niet kan worden verleend zonder een passende indicatie. De medische adviezen en aanvragen voor een ander zorgprofiel zijn onvoldoende om het zorgkantoor te verplichten het pgb te herzien. De hoger beroepen worden afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de 40-urennorm en wijst de herzieningsverzoeken van het pgb af.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/145 WLZ, 25/146 WLZ, 25/147 WLZ
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 31 december 2024, 24/1641, 24/1642, 23/1909 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
CZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 26 maart 2026

SAMENVATTING

In deze uitspraak ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de dwingendrechtelijke bepalingen over de 40-urennorm in de Rlz in het geval van appellant tot een onredelijk bezwarende uitkomst leidt. De verleende pgb’s blijven ongewijzigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraelen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Gasseling en mr. J.A. Buur.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1959, heeft een groot aantal buikoperaties ondergaan, waardoor bij hem geen sprake meer is van een intacte buikwand. Mede als gevolg hiervan ondervindt appellant medische en psychische klachten. Het CIZ heeft appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) per 31 maart 2016 – en dus ook voor de jaren 2023 en 2024 – geïndiceerd voor zorgprofiel VV6, beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging. Appellant woont samen met zijn echtgenote, [naam echtgenote] , en koopt met een door het zorgkantoor verleend persoonsgebonden budget (pgb) zorg bij haar in.
25/147 WLZ
1.2.
Het zorgkantoor heeft met een besluit van 4 februari 2023 aan appellant voor het jaar 2023 een pgb verleend van € 50.001,71. In dit besluit is appellant gewezen op de verplichting dat een zorgverlener niet meer dan 40 uur voor hem mag werken, wanneer het Arbeidstijdenbesluit niet op deze zorgverlener van toepassing is. Deze 40-urennorm geldt voor de zorgverlening door de echtgenote. Met een besluit van 27 juli 2023 (bestreden besluit 1) heeft het zorgkantoor het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
25/146 WLZ
1.3.
Appellant heeft een verzoek gedaan om herziening van het pgb-verleningsbesluit van 4 februari 2023. Het zorgkantoor heeft dit verzoek met een besluit van 21 november 2023 afgewezen en deze afwijzing gehandhaafd met een besluit van 26 februari 2024 (bestreden besluit 2). Daaraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
25/145 WLZ
1.4.
Het zorgkantoor heeft appellant met een besluit van 26 november 2023 voor het jaar 2024 een pgb verleend van € 53.186,72. Met een besluit van 26 februari 2024 (bestreden besluit 3) heeft het zorgkantoor dit besluit na bezwaar gehandhaafd. Daaraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant onveranderd geïndiceerd is voor zorgprofiel VV6. Dat appellant bij het CIZ een aanvraag heeft ingediend voor een ander zorgprofiel is voor het zorgkantoor geen aanleiding om, vooruitlopend op de beoordeling van die aanvraag door het CIZ, een pgb te verlenen op basis van een ander zorgprofiel dan het actuele zorgprofiel.
Uitspraken van de rechtbank
25/147 WLZ
2.1.
De rechtbank heeft, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven (aangevallen uitspraak 1). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het zorgkantoor de 40-urennorm heeft mogen handhaven, omdat niet is gebleken dat dit in de situatie van appellant tot onoverkomelijke problemen leidt. Het zorgkantoor heeft het bestreden besluit volgens de rechtbank echter pas in beroep voorzien van een deugdelijke motivering.
25/145 WLZ en 25/146 WLZ
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten (aangevallen uitspraak 2). De rechtbank heeft het zorgkantoor gevolgd in zijn standpunt dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die maken dat het zorgkantoor had moeten terugkomen op het pgb-verleningsbesluit voor het jaar 2023. Niet is gebleken dat het niet terugkomen op het pgb-verleningsbesluit voor het jaar 2023 evident onredelijk is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het zorgkantoor de hoogte van het pgb voor het jaar 2024 op goede gronden heeft gebaseerd op zorgprofiel VV6.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd zal de Raad hierna bespreken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten en of de rechtbank terecht bestreden besluiten 2 en 3 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
25/147 (aangevallen uitspraak 1)
4.1.
Ter zitting is bevestigd dat het geschil in hoger beroep zich toespitst op de vraag of het zorgkantoor appellant in staat moet stellen zijn echtgenote voor meer dan 40 uur uit het pgb te laten betalen. Deze vraag beantwoordt de Raad – net als de rechtbank – ontkennend, gelet op het volgende.
4.2.
Artikel 5.18, onder d, van de Regeling langdurige zorg (Rlz), in samenhang met artikel 5.22, vijfde lid, van de Rlz, brengt mee dat het aantal door een zorgverlener als de echtgenote te werken en te betalen uren niet meer mag bedragen dan 40 uur per week. De Raad begrijpt het betoog van appellant zo, dat appellant meent dat het zorgkantoor van deze dwingendrechtelijke bepalingen moet afwijken, omdat toepassing van deze bepalingen in zijn geval tot een onredelijk bezwarende uitkomst leidt. Naar het oordeel van de Raad is van een dergelijke situatie voor appellant echter niet gebleken.
4.2.1.
De Raad betrekt daarbij dat – zoals hiervoor weergegeven – de hoogte van het pgb van appellant is gebaseerd op het voor hem geïndiceerde zorgprofiel VV6 (beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging). Volgens vaste rechtspraak van de Raad [1] brengt het wettelijk systeem in samenhang met een dergelijk zorgprofiel mee dat, indien de verzekerde ervoor kiest om zelf met een pgb zorg in te kopen, geen pgb kan worden verleend voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, voor zover daarin niet kan worden voorzien door de in het zorgprofiel begrepen begeleiding.
4.2.2.
De rechtbank heeft dan ook alleen daarom al terecht overwogen dat niet bepalend is dat de door appellant geraadpleegde prof. dr. H. ten Cate (hierna: Ten Cate) op 11 november 2024 heeft gemeld dat appellant is aangewezen op 24-uurs zorg aan huis. Ook is niet bepalend dat Ten Cate een aanvraag voor zorgprofiel VV08 onderschrijft.
4.2.3.
Dat de voor appellant noodzakelijke zorg verder in het geding komt is ook niet gebleken.
25/145 WLZ en 25/146 WLZ (aangevallen uitspraak 2)
4.3.
De rechtbank heeft terecht het standpunt van het zorgkantoor onderschreven dat in wat appellant naar voren heeft gebracht over zijn verslechterde gezondheidstoestand en ook in de nieuwe aanvraag aan het CIZ voor een gewijzigde Wlz-indicatie geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gelegen die maken dat het zorgkantoor de pgb-verlening over 2023 had moeten herzien. Van een evident onredelijk besluit daarover is geen sprake.
4.4.
Wat appellant heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over het verleningsbesluit over 2024 komt in de kern overeen met de beroepsgronden over het besluit over de verlening van het pgb van 2023 en de weigering dit besluit te herzien. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen 4.2 en 4.3, die meebrengen dat deze beroepsgronden ook voor 2024 geen doel treffen.

Conclusie en gevolgen

4.5.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet langdurige zorg (Wlz)
Artikel 3.2.1
1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen,
1. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
Artikel 3.2.3
1. Het recht op zorg wordt op aanvraag van de verzekerde in een indicatiebesluit vastgesteld door het CIZ. Het recht op zorg dat wordt vastgesteld in het indicatiebesluit sluit aan bij de behoefte van de verzekerde.
Artikel 3.3.1
1. De verzekerde die recht heeft op zorg, kan ervoor kiezen om zijn recht tot gelding te brengen met zorg in natura, bestaande uit zorg met verblijf in een instelling, een volledig pakket thuis als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel a, of een modulair pakket thuis als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b, dan wel met een persoonsgebonden budget. De verzekerde kan tevens kiezen om zijn recht tot gelding te brengen met een modulair pakket thuis in combinatie met een persoonsgebonden budget.
Artikel 3.3.3
1. Het zorgkantoor verleent op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het vierde en vijfde lid alsmede andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, een persoonsgebonden budget waarmee de verzekerde, in plaats van zorg in natura te ontvangen, zelf betalingen doet voor zorg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a, onder 2, b, f of g en andere huishoudelijke hulp dan het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde. De verzekerde ziet af van het recht op verblijf en van de daarmee gepaard gaande voorziening, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, alsmede van de behandeling, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.
8. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:
a. de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget wordt verleend, de mogelijkheid heeft om zorg te betrekken van een mantelzorger of een natuurlijke persoon die niet beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, of die persoon vanuit het persoonsgebonden budget te betalen;
b. verplichtingen die aan de verzekerde worden opgelegd met betrekking tot de overeenkomsten die de verzekerde sluit met de personen van wie hij de zorg betrekt en daarvoor betaling ontvangen uit het persoonsgebonden budget;
(…).
Besluit langdurige zorg (Blz)
Artikel 3.1.1
1. De verzekerde die is aangewezen op zorg, heeft recht op samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel. Bij ministeriële regeling worden zorgprofielen vastgesteld.
Artikel 3.6.1
1. Een persoonsgebonden budget wordt per kalenderjaar verstrekt.
Artikel 3.6.4
1. De verzekerde sluit een schriftelijke overeenkomst met iedere zorgaanbieder of mantelzorger die hij ten laste van zijn persoonsgebonden budget zorg wenst te laten verlenen.
Artikel 3.6.5
1. Bij ministeriële regeling worden maximumtarieven vastgesteld voor de verlening van zorg die vanuit het persoonsgebonden budget kan worden bekostigd.
2. De in het eerste lid bedoelde tarieven worden vastgesteld voor zorg die geleverd wordt door:
a. een zorgaanbieder, voor zover deze voldoet aan in ieder geval één van de in het derde lid gestelde eisen, of
b. een andere zorgaanbieder dan een zorgaanbieder als bedoeld in onderdeel a of een mantelzorger.
Regeling langdurige zorg (Rlz)
Artikel 2.1
De zorgprofielen, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit, zijn opgenomen in bijlage A bij deze regeling.
Artikel 5.1
2. Voor het persoonsgebonden budget is het basisbedrag, genoemd in bijlage H, beschikbaar, verminderd met de kosten van het modulair pakket thuis voor huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, verpleging, logeeropvang, individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband en vervoer.
Artikel 5.18
Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:
d. de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht.
Artikel 5.19
De verleningsbeschikking van het zorgkantoor aan de verzekerde bevat ten minste de volgende gegevens:
b. het verleende persoonsgebonden budget en de wijze waarop dit budget is berekend;
c. de verplichtingen van de verzekerde.

Artikel 5.22

1. Het uit het persoonsgebonden budget te betalen bruto loon of de te betalen vergoeding aan een zorgaanbieder bedraagt ten hoogste € 22,98 per uur, tenzij de verzekerde kan aantonen dat de zorg is verleend door: (n.v.t.)
5. Het aantal door de zorgverlener voor de verzekerde gewerkte en betaalde uren mag niet afwijken van het Arbeidstijdenbesluit en mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week.
In bijlage C bij de Rlz staan de klassen voor vormen van zorg per zorgprofiel.
In bijlage H bij de Rlz staat de tarieventabel voor het pgb.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 25 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1228, r.o. 5.6.