ECLI:NL:CRVB:2026:40

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
25/37 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor ongedocumenteerden

In deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026, wordt de weigering van een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan een ongedocumenteerde appellant behandeld. De appellant, geboren in 1946 en zonder Nederlandse nationaliteit of verblijfsvergunning, verbleef in 2023 en 2024 in een opvang voor ongedocumenteerden. Hij verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 22 februari 2023 om zorg te inventariseren en de benodigde voorzieningen te verstrekken, waarbij hij zich beriep op zijn recht op ouderenzorg, onafhankelijk van zijn verblijfsstatus.

Het college heeft het verzoek op 10 oktober 2023 afgewezen, met als argument dat de appellant, vanwege zijn verblijfsstatus, geen recht heeft op voorzieningen op grond van de Wmo 2015. De Raad oordeelt dat het koppelingsbeginsel uit de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is, waardoor ongedocumenteerden geen aanspraak kunnen maken op deze voorzieningen. De rechtbank Amsterdam had eerder het beroep van de appellant tegen het besluit van het college ongegrond verklaard, wat door de Raad wordt bevestigd. De Raad concludeert dat de appellant in de beoordelingsperiode gebruik maakte van de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) en dat er geen lacune was in de zorgvoorzieningen, zoals de appellant stelde. De uitspraak van de rechtbank blijft dan ook in stand, en de appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2024, 23/6831 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

In deze uitspraak oordeelt de Raad dat aan appellant in de te beoordelen periode terecht geen maatwerkvoorziening is verstrekt.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Voor appellant is mr. Fischer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Nonden en M. Haddu.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is geboren in 1946. Hij is niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en heeft geen verblijfsvergunning. Hij verbleef in 2023 en 2024 in een opvang voor ongedocumenteerden van de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) in [woonplaats]. Sinds 1 januari 2025 verblijft appellant in een opvanglocatie voor ongedocumenteerden van HVO-Querido.
1.2.
Appellant heeft het college op 22 februari 2023 verzocht om te inventariseren welke zorg hij nodig heeft en hem in verband daarmee de benodigde voorzieningen te verstrekken. Hierbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij aanspraak heeft op ouderenzorg en dat de toegang tot deze zorg niet afhankelijk is van zijn verblijfsrecht en heeft hij een beroep gedaan op artikel 5a van de Wet publieke gezondheid (Wpg).
1.3.
Met een besluit van 10 oktober 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 november 2023, heeft het college het verzoek van appellant om voorzieningen te verstrekken als vorenbedoeld afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanwege zijn verblijfsstatus geen recht heeft op voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), omdat het koppelingsbeginsel uit artikel 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000 tot gevolg heeft dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf buiten de reikwijdte vallen van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wmo 2015. Het beroep van appellant op de Wpg maakt dit, los van de vraag of hij daaraan als individu rechten kan ontlenen, niet anders. Appellant heeft als ongedocumenteerde wel recht op medisch noodzakelijke zorg als bedoeld in artikel 122a, tweede lid, van de Zvw. Appellant verblijft op een locatie die speciaal is ingericht voor medisch kwetsbaren en ontvangt daar niet alleen medisch noodzakelijke zorg maar ook opvang, begeleiding, leefgeld en een vergoeding voor openbaar vervoer. Aan de wettelijke verplichting om medisch noodzakelijke zorg te verlenen wordt volgens het college ruimschoots voldaan.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat ongedocumenteerden, gelet op het koppelingsbeginsel, geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen op grond van de Wmo 2015.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellant heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep erkend dat de overwegingen van de rechtbank juist zijn, maar vindt dat hij toch in aanmerking moet komen voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellant vindt hiervoor van belang dat hij per 1 januari 2025 geen gebruik meer kan maken van de LVV, omdat deze is stopgezet. Hij is hierbij uitgebreid ingegaan op de context van opvang in een vrijheidsbeperkende locatie, gemeentelijke bed-bad-broodvoorzieningen en de LVV en op de rechtspraak van de Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover. Appellant stelt zich op het standpunt dat op grond van het Europese en het internationale recht op de centrale overheid de verplichting rust om een voorziening te treffen voor vreemdelingen die geen recht (meer) hebben op verblijf, maar die om uiteenlopende redenen niet zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst. Omdat zo’n voorziening sinds 1 januari 2025 ontbreekt, is het volgens appellant aan de gemeente om deze lacune op te vullen en een (nood)voorziening te bieden op grond van de Wmo 2015.
4.2.
Wat appellant heeft aangevoerd kan alleen al niet kan leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, omdat de door de Raad te beoordelen periode loopt van 22 februari 2023 (datum verzoek) tot en met 8 november 2023 (datum bestreden besluit). In die periode maakte appellant gebruik van de LVV en was er geen sprake van de onder 4.1 genoemde lacune.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5.2.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) N. El Khabazi