Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:405

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/1703 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 PWArt. 35 PWArt. 4 Wet WIAArt. 44 PWArt. 30b Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand en weigering permanente ontheffing arbeidsverplichtingen

Appellante, die sinds eind 2022 in Nederland verblijft, vroeg bijzondere bijstand aan voor stoffering en woninginrichting en verzocht om permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen op grond van vermeende volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.

Het college wees de bijzondere bijstand af omdat de kosten als algemeen noodzakelijke kosten worden beschouwd die in principe uit inkomen moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden aantoonbaar zijn. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij niet had kunnen reserveren of gespreid betalen. Haar verhuizing was een keuze en niet het gevolg van onvoorziene omstandigheden.

Voor de permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen moest appellante een begin van bewijs leveren van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Dit is niet gelukt; de psychische klachten zijn sociaalmaatschappelijk van aard en tijdelijk. De Raad bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbank en wijst de hoger beroepen af.

De Raad oordeelt dat de tijdelijke ontheffingen die het college verleende passend zijn en dat er geen grond is voor een permanente ontheffing. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand en het weigeren van permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1703 PW, 25/1413 PW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam respectievelijk de rechtbank Rotterdam (samen: rechtbank) van 17 juli 2024, 24/4216 (aangevallen uitspraak 1) en van 24 juni 2025, 24/10064 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 31 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van stoffering en woninginrichting en over de verlening van een ontheffing van de arbeidsverplichtingen en de verplichting tot tegenprestatie voor de duur van zes maanden. Appellante vindt dat zij recht heeft op bijzondere bijstand. Ook vindt zij dat zij permanent moet worden vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen op de grond dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Net als de rechtbank is de Raad het niet met haar eens. De hoger beroepen slagen daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat en kantoorgenoot van mr. Kaplan, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Namens appellante heeft mr. Bozbiyik hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 6 januari 2026. Daar zijn de zaken gelijktijdig behandeld met de zaken 24/1433 PW en 24/1848 PW van appellante. De zitting heeft met instemming van partijen plaatsgevonden via videobellen. Daaraan hebben deelgenomen appellante, mr. N. Talhaoui, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bozbiyik, en mr. W. Breure namens het college. In de zaken 24/1433 PW en 24/1848 PW is vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante woonde met echtgenoot en kinderen in Marokko. Appellante ontving samen met haar echtgenoot een remigratie-uitkering voor gehuwden. Appellante verblijft sinds 27 december 2022 samen met haar kinderen in Nederland. Na een daartoe ingediende aanvraag heeft het college appellante met ingang van 22 januari 2023 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) toegekend als alleenstaande naar de kostendelersnorm, omdat appellante inwoonde bij haar schoonfamilie. Appellante had sinds 13 februari 2023 inkomsten uit arbeid waarop een inkomstenvrijlating van toepassing was. Voor deze arbeid is zij op enig moment uitgevallen in verband met psychische klachten.
1.2.
Met ingang van 12 juli 2023 heeft appellante een (antikraak)woning betrokken. Haar kinderen verblijven nog altijd bij de schoonfamilie. Op 31 augustus 2023 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor stofferings- en inrichtingskosten.
1.3.
Met een besluit van 10 november 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 april 2024 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat niet gesproken kan worden van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellante heeft er zelf voor gekozen om naar een zelfstandige woonruimte te verhuizen. Niet is gebleken dat appellante niet langer bij haar schoonfamilie kon verblijven totdat zij genoeg geld had gespaard om de kosten zelf te kunnen voldoen.
1.4.
Nadat het college appellante sinds 28 november 2023 een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen en de verplichting tot tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW (oud) had verleend, heeft appellante op 30 mei 2024 verzocht om een ontheffing van alle verplichtingen uit artikel 9, eerste lid, van de PW (oud), waaronder ook de re-integratieverplichting.
1.5.
Met een besluit van 9 augustus 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 november 2024 (bestreden besluit 2), heeft het college appellante wederom een ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen en de verplichting tot tegenprestatie voor de periode van 9 augustus 2024 tot en met 15 februari 2025. Aan de besluitvorming heeft het college – voor zover van belang en zoals ter zitting is toegelicht – ten grondslag gelegd dat appellante geen begin van bewijs heeft geleverd dat zij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is.
1.6.
Nadien heeft het college appellante een ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de PW (oud), ditmaal voor de periode van 28 maart 2025 tot en met 28 februari 2026. Over deze ontheffing loopt een beroepsprocedure bij de rechtbank.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 1 over de afwijzing van de bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten in stand heeft gelaten. Ook beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht bestreden besluit 2 over de verlening van een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen en de verplichting tot tegenprestatie in stand heeft gelaten. De Raad doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Aangevallen uitspraak 1
4.1.
Zoals ter zitting is besproken, is tussen partijen alleen in geschil of de kosten van stoffering en woninginrichting in het geval van appellante voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en met name of appellante de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor deze kosten.
4.2.
Appellante voert – samengevat – aan dat de kosten van stoffering en woninginrichting voorvloeien uit bijzondere omstandigheden, omdat zij noodgedwongen is verhuisd. Appellante was niet meer welkom bij haar schoonfamilie en is op straat komen te staan. Om die reden heeft zij een anti-kraakwoning verkregen. Ook de verhuizing naar Nederland heeft onverhoopt plaatsgevonden. Daarom kon appellante niet voor de kosten reserveren. Bovendien had appellante in Marokko geen inkomen. De beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.3.
De kosten van stoffering en woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen door voor de kosten te reserveren of door de kosten gespreid achteraf te betalen. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en die kosten – naar het oordeel van het college – niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. [1] De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten of die achteraf gespreid te kunnen betalen, is een aspect dat in het kader van de bijzondere omstandigheden moet worden beoordeeld.
4.3.1.
Uit het dossier blijkt dat appellante bij haar aanvraag om algemene bijstand heeft verklaard dat zij in Nederland is gaan wonen zodat haar kinderen hier onderwijs kunnen volgen en dat zij haar partner in Marokko zal blijven bezoeken. Haar latere stelling dat zij als gevolg van huiselijk geweld genoodzaakt was naar Nederland te vluchten, is met die eerdere verklaring in strijd. Appellante heeft dit niet onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Ook heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet, net als haar kinderen, nog langer bij haar schoonfamilie kon verblijven. Hieruit volgt dat de verhuizing een keuze met voorzienbare gevolgen was. Dat betekent dus dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet zijn opgekomen op een wijze dat zij daarvoor niet had kunnen reserveren. De stelling dat appellante niet kon reserveren omdat zij geen inkomen had, mist feitelijke grondslag. In Marokko ontving appellante samen met haar echtgenoot een remigratie-uitkering. Nadien heeft zij een uitkering ontvangen en een gedeeltelijk vrijgelaten arbeidsinkomen gehad. Tot slot heeft appellante niet gesteld dat zij de kosten van stoffering en woninginrichting niet kan voldoen door gespreide betaling achteraf.
4.3.2.
Uit 4.3 en 4.3.1 volgt dat de in artikel 35 van Pro de PW bedoelde bijzondere omstandigheden zich in het geval van appellante niet voordoen.
Aangevallen uitspraak 2
4.4.
Appellante voert aan dat zij permanent van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de PW moet worden vrijgesteld, omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als gevolg van psychische klachten en slaapproblemen. De beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.1.
De verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid van de PW (oud) zijn niet van toepassing op een persoon die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dit volgt uit artikel 9, vijfde lid, van de PW. Als dat het geval is wordt gesproken van een ‘permanente ontheffing’ van die verplichtingen. Bij de toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de PW moet zoveel als mogelijk worden aangesloten bij (de systematiek van) de Wet WIA. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [2]
4.4.2.
Een betrokkene die een beroep doet op artikel 9, vijfde lid, van de PW moet aannemelijk maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling. Dit betekent dat de betrokkene die wenst dat de arbeids- en re-integratieverplichtingen en de verplichting tot tegenprestatie niet op hem van toepassing zijn ten minste een begin van bewijs moet leveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Of de betrokkene een begin van bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft geleverd wordt beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. De betrokkene moet bij zijn verzoek dat de verplichtingen niet op hem van toepassing zijn stellen wat de aard en omvang van zijn medische beperkingen voor het verrichten van arbeid en re-integratieactiviteiten en zijn herstelmogelijkheden zijn. Hij moet dit onderbouwen door hierover beschikbare medische gegevens te verstrekken en daarbij de nodige duidelijkheid en volledige openheid van zaken geven. [3]
4.4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante geen begin van bewijs heeft geleverd voor de stelling dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het enkele gegeven dat appellante al eerder een tijdelijke ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW (oud) is verleend, is hiervoor onvoldoende. En uit de door appellante in bezwaar overgelegde brief van de huisarts van 28 augustus 2024 volgt dat een behandeling door de GGZ-instelling niet is geïndiceerd, omdat de psychische klachten van appellante zijn gerelateerd aan sociaalmaatschappelijke problemen. Appellante bewoont een anti-kraakwoning, heeft geen urgentieverklaring voor een andere woning en leeft al geruime tijd gescheiden van haar kinderen. Dit duidt erop, zoals het college ook aan bestreden besluit 2 ten grondslag heeft gelegd, dat de problemen van tijdelijke aard zijn die met het vinden van een eigen woning kunnen worden opgelost. Deze situatie daarom rechtvaardigt geen permanente ontheffing zoals door appellante gewenst.
4.4.4.
Artikel 9, tweede lid, van de PW biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen genoemd in het eerste lid, onderdelen a en c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het college bepaalt de termijn van een tijdelijke ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en c, van de PW genoemde verplichtingen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [4]
4.4.5.
Appellante heeft aangevoerd dat het college niet duidelijk heeft onderbouwd waarom maar voor een periode van zes maanden een tijdelijke ontheffing is verleend, nu duidelijk is dat de problematiek langer duurt. Deze grond mist feitelijke grondslag en gaat voorbij aan de op appellante rustende bewijslast ten aanzien van deze ontheffing. In bestreden besluit 2 is tot uitdrukking gebracht dat de periode van zes maanden met appellante is afgesproken en aansluit bij de inhoud en de duur van het afsprakenplan. Verder is daarbij in aanmerking genomen dat indien nodig een nadere ontheffing kan worden aangevraagd. Ten tijde van het nemen van dit besluit was dit inderdaad gebeurd. De termijn van deze ontheffing was weliswaar op 16 februari 2025 verstreken, maar aan appellante is van 28 maart 2025 tot en met 28 februari 2026 weer een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen is verleend. Appellante heeft met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat dringende redenen bestonden om voor een periode van langer dan zes maanden een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen.

Conclusie en gevolgen

4.5.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand en de tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen en de verplichting tot tegenprestatie in stand blijft.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.C.M. van ’t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet

Artikel 9 (zoals dat luidde tot 1 januari 2026)
1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
(…)
5. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
(…).
Artikel 35
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
(…).

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 4
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraken van 23 september 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AQ6585, 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1802 en 17 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:154.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1380.
3.Zie in die zin ook de uitspraak van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2439.
4.Zie de uitspraak van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:329.