ECLI:NL:CRVB:2026:43

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
23/3451 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering teveel betaald AOW-pensioen en oplegging boete

In deze zaak gaat het om de terugvordering van teveel betaald AOW-pensioen en een opgelegde boete aan appellant, die in Turkije woont. De Sociale verzekeringsbank (Svb) en de rechtbank hebben gesteld dat appellant alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de boete, maar de Raad voor de Rechtspraak oordeelt dat het bezwaar ook gericht was tegen de terugvordering. De Raad geeft appellant gelijk in deze kwestie, maar niet in zijn bezwaren tegen de hoogte van de terugvordering en de boete. De Raad concludeert dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering en dat de boete niet onevenredig is. De zaak is behandeld op een zitting op 4 december 2025, waarbij appellant werd vertegenwoordigd door zijn advocaat, mr. F.Y. Gans, en de Svb door mr. J.A.H. Koning. De Raad heeft de uitspraak op 15 januari 2026 gedaan, waarbij het hoger beroep gedeeltelijk slaagde. De terugvordering en de boete blijven in stand, maar de Svb moet de proceskosten van appellant vergoeden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2023, 22/4681 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de terugvordering van teveel betaald AOW-pensioen en een opgelegde boete. Volgens de Svb en de rechtbank heeft appellant alleen tegen de boete bezwaar gemaakt. De Raad is het hiermee niet eens en oordeelt dat het bezwaar van appellant ook gericht was tegen de terugvordering. In zoverre krijgt appellant gelijk. Appellant krijgt geen gelijk wat betreft zijn gronden tegen de hoogte van de terugvordering en de boete. Volgens de Raad zijn er geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering en is de boete niet onevenredig.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van appellant heeft schriftelijke vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Voor appellant is mr. Gans verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 4 juli 2019 is aan appellant vanaf 17 september 2019 een AOW [1] -pensioen toegekend naar de norm van een ongehuwde. Op 21 september 2021 heeft appellant aan de Svb doorgegeven dat hij per [datum] 2020 is gaan samenwonen met zijn partner. De Svb heeft appellant op 29 september 2021 verzocht om meer informatie over zijn woonsituatie en een formulier “Onderzoek gezamenlijk huishouden” toegestuurd. Met een besluit van 24 november 2021 heeft de Svb het AOW-pensioen vanaf december 2021 geschorst omdat appellant niet op de verzoeken om informatie heeft gereageerd. Op 24 januari 2022 heeft appellant telefonisch contact met de Svb opgenomen en daarbij over zijn leefsituatie gemeld dat hij in augustus 2020 is gehuwd en dat zijn partner in Turkije woont. Eind januari 2022 zal hij definitief naar Turkije vertrekken.
1.2.
Met een besluit van 16 maart 2022 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant vanaf september 2020 herzien naar een gehuwdenpensioen omdat hij sinds [datum] 2020 is getrouwd. Er is een specificatie bijgevoegd van wat teveel is betaald aan AOWpensioen over de periode vanaf september 2020 tot en met november 2021. Ook is meegedeeld dat een boete kan worden opgelegd en dat appellant daarop kan reageren. Tegen het besluit van 16 maart 2022 heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Met een brief van 16 maart 2022 heeft de Svb aangekondigd van plan te zijn het teveel ontvangen bedrag aan AOW-pensioen terug te vragen en een boete op te leggen.
1.4.
Met een besluit van 2 mei 2022 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat een boete wordt opgelegd van € 1.172,20 omdat hij de wijziging in zijn leefsituatie (lees: zijn huwelijk) niet op tijd aan de Svb heeft doorgegeven. Ook is onder het kopje “Betalingsregeling” vermeld dat hij naast de boete ook het teveel betaalde AOW-pensioen van € 5.396,97 moet betalen, zodat hij in totaal € 6.569,17 aan de Svb verschuldigd is. Dit bedrag moet hij voor 1 juli 2022 aan de Svb betalen. Zo nodig kan een betalingsregeling worden afgesproken.
1.5.
Op 7 juni 2022 heeft de Svb een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 2 mei 2022 ontvangen. In dat bezwaarschrift heeft appellant aangegeven dat hij niet wist hoe hij de Svb op tijd moest informeren en dat zijn intentie goed was. Verder heeft hij naar voren gebracht dat gezien zijn financiële situatie de opgelegde boete te hoog is om te betalen.
1.6.
Met een besluit van 18 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de opgelegde boete ongegrond verklaard. Volgens de Svb is de boete terecht opgelegd omdat hij zijn huwelijk niet tijdig heeft gemeld, terwijl de Svb hem wel heeft ingelicht dat hij dergelijke wijzigingen bij de Svb moet melden. Appellant heeft desgevraagd geen bewijsstukken van zijn financiële situatie overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld dat appellant niet de middelen heeft om de boete binnen zes maanden te betalen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft de Svb het bezwaar van appellant terecht opgevat als alleen gericht tegen de opgelegde boete. De rechtbank is van oordeel dat appellant door zijn huwelijk niet tijdig te melden zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat bij appellant elke verwijtbaarheid ontbreekt. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een huwelijk van invloed kon zijn op (de hoogte van) zijn AOW-pensioen. De Svb was in beginsel verplicht een boete op te leggen. Een opgelegde boete van 25% van het benadelingsbedrag is in dit geval evenredig. Volgens de rechtbank zijn er geen omstandigheden om de boete te matigen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank het geschil heeft beperkt tot de boete. Voor het overige slaagt het hoger beroep niet. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De omvang van het geding; de terugvordering en de boete
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 maart 2022 tot herziening van zijn AOW-pensioen. Wel is volgens appellant het geschil door de Svb en de rechtbank ten onrechte beperkt tot de boete, omdat het bezwaar was gericht tegen het besluit van 2 mei 2022 en dus ook tegen de terugvordering.
4.2.
Deze grond is ter zitting met partijen besproken en de Svb heeft daarbij te kennen gegeven zich te refereren aan het oordeel van de Raad. Het bezwaarschrift was gericht tegen het besluit van 2 mei 2022, waarin is vermeld dat het totale bedrag dat appellant moet terugbetalen bestaat uit de boete en het bedrag dat te veel is betaald. Mede omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat eerder een voor appellant kenbaar terugvorderingsbesluit is genomen, is hiermee naar het oordeel van de Raad zowel een besluit over de terugvordering als over de boete genomen. Het bezwaarschrift van appellant is, gezien de inhoud daarvan, gericht tegen zowel de terugvordering als de boete. Wat appellant in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd over het niet terug kunnen betalen, heeft logischerwijs betrekking op het totale bedrag dat hij moest betalen. In die situatie had de Svb in ieder geval bij appellant, die destijds nog geen professionele rechtsbijstand had, moeten navragen of hij met het woord “boete” daadwerkelijk bedoelde het bezwaar te beperken tot de opgelegde boete, of dat hij ook bezwaar wilde maken tegen de terugvordering.
4.3.
Dit betekent dat in dit geding aan de orde is of de terugvordering en de opgelegde boete in stand kunnen blijven.
De terugvordering
4.4.
Het besluit waarmee de Svb het AOW-pensioen van appellant heeft herzien staat in rechte vast. Daarmee staat in deze procedure vast dat appellant teveel AOW-pensioen heeft ontvangen. Het AOW-pensioen dat onverschuldigd is betaald moet op grond van artikel 24 van de AOW door de Svb worden teruggevorderd. Een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht is voor de terugvordering geen voorwaarde. De Svb kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Dringende redenen
4.5.
In een tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van het begrip “dringende redenen” verruimd. [2] De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat de dringende redenen bij de herziening en de terugvordering dezelfde inhoud hebben en dat beleidsregels om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn aan te merken als binnenwettelijk beleid.
4.6.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Dit nieuwe, soepelere beleid past de Svb toe in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 heeft de Svb de vaste gedragslijn gehanteerd dat de “dringende reden”- toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening. In een uitspraak van 21 november 2024 [3] heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met bovenstaande in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 is beoogd.
4.7.
Als de Svb een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de Svb rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Svb ziet geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de Svb onder andere belang aan de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de Svb een verwijt kan worden gemaakt.
4.8.
De vaste gedragslijn bij de terugvordering is sinds 3 december 2025 als beleidsregel opgenomen in SB1429:
“De dringende reden in bepalingen over de terugvordering heeft dezelfde inhoud als de dringende reden in bepalingen over verlaging of intrekking van de uitkering (ECLI:NL:CRVB:2024:726). Omstandigheden die al zijn meegewogen bij de verlaging of intrekking (zie SB1407) leiden niet tot een verdere matiging van de terugvordering.
Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering van belang. Bij de oorzaak kijkt de SVB naar het aandeel van de SVB en het aandeel van betrokkene. Bij de gevolgen kijkt de SVB naar de sociale en financiële gevolgen voor betrokkene. De SVB weegt de financiële gevolgen normaal gesproken pas mee in het invorderingsbesluit. Als bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit besluit ernstige financiële gevolgen voor betrokkene zal hebben, houdt de SVB hiermee rekening bij het nemen van dit besluit (ECLI:NL:CRVB:2024:726, ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en
4.9.
De Svb heeft naar het oordeel van de Raad bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle aangevoerde relevante feiten en omstandigheden meegewogen. De Svb heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dit betekent dat de terugvordering van het ten onrechte betaalde AOW-pensioen in stand blijft. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
4.9.1.
Appellant heeft betoogd dat het ontstaan van de terugvordering in overwegende mate te wijten is aan de Svb en dat de Svb zijn eigen aandeel in de ontstane terugvordering niet in de belangenafweging heeft betrokken. Volgens appellant heeft hij de Svb wel tijdig geïnformeerd over zijn huwelijk. Hij heeft in 2020 en ook daarna een aantal keren aan de Svb doorgegeven dat hij langere tijd in Turkije verbleef dan wel wilde gaan verblijven. Op 15 maart 2021 heeft appellant schriftelijk bij de Svb geïnformeerd naar de procedure bij een permanent verblijf in het buitenland met behoud van uitkering. De Svb had moeten doorvragen naar de reden daarvan en dan had hij zijn huwelijk kunnen vermelden. Verder heeft appellant op 21 september 2021 bij de Svb gemeld dat hij vanaf [datum] 2020 is gaan samenwonen. Omdat de Svb zijn meldingen niet adequaat heeft opgepakt, is de terugvordering onnodig hoog opgelopen. Bovendien is er een verklaring van 10 mei 2021 waaruit blijkt dat hij zijn huwelijk in de BRP [4] heeft ingeschreven. Op dat moment heeft hij in ieder geval voldaan aan de inlichtingenplicht.
4.9.2.
Deze gronden slagen niet. De contacten die appellant voorafgaande aan 21 september 2021 met de Svb heeft gehad, hadden uitsluitend betrekking op een al dan niet permanent verblijf in Turkije en de consequentie daarvan voor zijn AOW-pensioen en AIOaanvulling. Deze contacten gaven geen enkele indicatie dat er een mogelijke wijziging in de norm voor de AOW zou kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld door een huwelijk of het voeren van een gezamenlijke huishouding. Op geen enkele manier valt de Svb te verwijten niet te hebben doorgevraagd naar de toekomstige leefsituatie van appellant, nog daargelaten dat appellant zelf relevante wijzigingen in zijn situatie moet melden. Naar aanleiding van de melding van appellant op 21 september 2021 dat hij vanaf [datum] 2020 is gaan samenwonen, heeft de Svb een onderzoeksformulier naar appellant toegestuurd waarop appellant niet heeft gereageerd. Hij heeft pas gereageerd na de schorsing van de uitbetaling van zijn AOW-pensioen. Pas daarna bleek dat hij op [datum] 2020 in Turkije is getrouwd.
4.9.3.
Wat de gestelde inschrijving in de BRP betreft stelt de Raad vast dat in het dossier alleen een verklaring van 10 mei 2021 aanwezig is die nodig was voor de inschrijving van het huwelijk. Maar ook als sprake zou zijn geweest van registratie van zijn huwelijk in de BRP op die datum, heeft appellant hiermee niet voldaan aan de inlichtingenplicht zoals die uit artikel 49 van de AOW voortvloeit. [5] Uit de informatie van de Svb die appellant ter beschikking stond had het hem duidelijk kunnen zijn dat een huwelijk van invloed kon zijn op de hoogte van zijn AOW-pensioen en dat hij een in het buitenland gesloten huwelijk moest melden bij de Svb. Dat appellant pas veel later met zijn partner zou zijn gaan samenwonen, elke stelling overigens niet is onderbouwd, is hierbij niet van belang. Appellant kon niet volstaan met de registratie van zijn in het buitenland gesloten huwelijk in de BRP. De uitzondering op de inlichtingenplicht voor feiten en omstandigheden die door de Svb kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens, is op de situatie van appellant niet van toepassing. De Regeling uitzondering inlichtingenplicht [6] die bepaalt welke gegevens van de inlichtingenplicht uitgezonderd zijn, is niet van toepassing op een in het buitenland gesloten huwelijk. [7]
4.9.4.
Dit betekent dat de oorzaak van de terugvordering is gelegen in het feit dat appellant zijn huwelijk niet tijdig heeft gemeld. Van een verwijt aan de kant van de Svb, waardoor de terugvordering hoog is opgelopen is geen sprake. De Svb is pas op 21 september 2021 op de hoogte geraakt van een mogelijke wijziging in de leefsituatie van appellant en heeft direct daarop aan appellant om informatie gevraagd. Toen die informatie niet kwam is de uitbetaling van het AOW-pensioen geschorst met ingang van december 2021. Niet kan worden gezegd dat de Svb onvoldoende adequaat en voortvarend heeft gehandeld.
Boete
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door zijn huwelijk niet tijdig te melden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke verwijtbaarheid ontbreekt. De Svb is daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen. De rechtbank heeft overwogen dat de Svb bij de vaststelling van de boete terecht is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid, omdat appellant uiteindelijk zelf melding heeft gemaakt van zijn huwelijk. De boete is daardoor verlaagd naar 25% van het benadelingsbedrag. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze boete evenredig is. De Raad sluit zich bij de motivering van dit oordeel aan. Anders dan door appellant in hoger beroep is bepleit, zijn er volgens de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake zou zijn van een sterk verminderde verwijtbaarheid waardoor volgens het beleid SB1108 van de Svb de boete zou moeten worden verlaagd naar 10% van het benadelingsbedrag.
4.11.
Bij de op te leggen boete moet de Svb ook rekening houden met de draagkracht van de betrokkene. Bij de vaststelling van de draagkracht hanteert de Svb termijnen die zijn gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid (beleidsregel SB1243). Bij verminderde verwijtbaarheid is dat zes maanden. De Svb verlaagt de boete als appellant deze niet binnen zes maanden kan betalen door zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen aan te spreken. Appellant is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om inzicht te geven in zijn financiële situatie, maar heeft dat tot op heden niet gedaan. De enkele mededeling dat zijn inkomen slechts bestaat uit zijn AOW-pensioen is daarvoor niet genoeg. Ter zitting heeft de Svb te kennen gegeven dat als appellant alsnog inzicht geeft in zijn financiële omstandigheden de Svb zal beoordelen of er aanleiding is de boete te matigen. Ook kan er dan bij de invordering rekening worden gehouden met deze gegevens.

Conclusie en gevolgen

4.12.
Het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld dat in het bestreden besluit terecht niet is beslist over de terugvordering. Het hoger beroep slaagt niet voor zover het betrekking heeft op de terugvordering en de boete. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard voor zover de Svb niet op het bezwaar tegen de terugvordering heeft beslist en het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard ten aanzien van de boete. Het bezwaar tegen de terugvordering wordt alsnog ongegrond verklaard. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De terugvordering en de boete blijven dus in stand.
5. Omdat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt, is er aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten worden begroot € 1.868,- voor rechtsbijstand in beroep (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting) en € 2.335,- voor rechtsbijstand in hoger beroep (één punt voor het indienen van een hoger beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal worden de kosten voor verleende rechtsbijstand daarmee op € 4.203,-vastgesteld. De Svb moet ook het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2022 gegrond voor zover de Svb niet op het bezwaar tegen de terugvordering heeft beslist en vernietigt dat besluit in zoverre;
  • verklaart het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 18 augustus 2022;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2022 ongegrond ten aanzien van de boete;
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.203,-;
  • bepaalt dat de Svb het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en L.M. Tobé en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M.S. van Veller

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Algemene Ouderdomswet

Artikel 17a (intrekking of herziening)

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 17c (bestuurlijke boete)

1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen is verleend.
3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaats vindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een zodanige waarschuwing is gegeven.
5. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 49 van deze wet of 35 van de Algemene nabestaandenwet als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen, nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend.
7. In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
8. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
9. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
11. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
12. Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Artikel 25, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
13. Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het twaalfde lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan.
Artikel 24(terugvordering)
1. Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen.
(…)5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
6. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.

Artikel 49 (inlichtingenplicht)

De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Regeling uitzondering inlichtingenplicht
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b
De inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 49 van de Algemene Ouderdomswet, geldt niet ten aanzien van gegevens die in de basisregistratie personen zijn opgenomen ten aanzien van:
het sluiten of eindigen van een huwelijk of geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet basisregistratie personen, voor zover dat in Nederland heeft plaatsgevonden;
Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten
Artikel 2
1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
2. Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
3. Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
(…)
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
Beleidsregel SB1407 (Dringende reden bij intrekking of herziening)
De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beleid
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ’kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.
Beleidsregel SB1429 (dringende reden bij terugvordering)
De SVB kan geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering als sprake is van dringende redenen.
De dringende reden in bepalingen over de terugvordering heeft dezelfde inhoud als de dringende reden in bepalingen over verlaging of intrekking van de uitkering ( ECLI:NL:CRVB:2024:726 ). Omstandigheden die al zijn meegewogen bij de verlaging of intrekking (zie SB1407 ) leiden niet tot een verdere matiging van de terugvordering.
Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering van belang. Bij de oorzaak kijkt de SVB naar het aandeel van de SVB en het aandeel van betrokkene. Bij de gevolgen kijkt de SVB naar de sociale en financiële gevolgen voor betrokkene. De SVB weegt de financiële gevolgen normaal gesproken pas mee in het invorderingsbesluit. Als bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit besluit ernstige financiële gevolgen voor betrokkene zal hebben, houdt de SVB hiermee rekening bij het nemen van dit besluit ( ECLI:NL:CRVB:2024:726 , ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en ECLI:NL:CRVB:2024:2192
).
Beleidsregel SB1108 (mate van verwijtbaarheid)
Op grond van artikel 5:46, tweede lid Awb moet de SVB de hoogte van de boete afstemmen op de mate van verwijtbaarheid. De op te leggen boete is hoger naarmate de schending van de mededelingsverplichting de belanghebbende meer kan worden aangerekend. Artikel 2, tweede tot en met vijfde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten onderscheidt de volgende categorieën: opzet, grove schuld, verwijtbaarheid zonder opzet of grove schuld en verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast neemt de SVB aan dat ook sprake kan zijn van een situatie waarin een belanghebbende sterk verminderd verwijtbaar is. Het beleid over deze vijf categorieën staat in SB1244 over de mate van verwijtbaarheid.
De SVB legt in beginsel een boete op van 50% van het benadelingsbedrag. In de volgende gevallen hanteert de SVB een ander percentage van het benadelingsbedrag:
  • 100% in geval van opzet;
  • 75% in geval van grove schuld;
  • 25% in geval van verminderde verwijtbaarheid;
  • 10% in geval van sterk verminderde verwijtbaarheid.
In geval van recidive vermenigvuldigt de SVB het benadelingsbedrag eerst met 150% en daarna met de hiervoor genoemde percentages. Behalve voor sterk verminderde verwijtbaarheid volgt dit uit artikel 2, zesde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten. In het geval van sterk verminderde verwijtbaarheid past de SVB dit artikellid naar analogie toe.
Artikel 2, zevende lid Boetebesluit socialezekerheidswetten bevat een formule voor het berekenen van de maximale boete in geval van verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. De SVB past deze formule naar analogie toe op gevallen van sterk verminderde verwijtbaarheid.
Ontbreekt iedere vorm van verwijtbaarheid, dan ziet de SVB op grond van artikel 5:41 Awb af van het opleggen van een boete of het geven van een schriftelijke waarschuwing.
Beleidsregel SB1243 (Vaststellen boete naar draagkracht)
Bij de beoordeling van de evenredigheid van de in concreto op te leggen boete dient de SVB rekening te houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 5:46, tweede lid van de Awb blijkt dat de draagkracht van de overtreder daarbij een rol kan spelen.
De SVB onderzoekt de draagkracht van de belanghebbende indien hij aangeeft dat hij de voorgenomen boete niet kan betalen. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 hanteert de SVB bij de vaststelling van de draagkracht termijnen die zijn gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid. De SVB onderscheidt de volgende termijnen:
  • 24 maanden in geval van opzet
  • 18 maanden in geval van grove schuld
  • 12 maanden in geval van verwijtbaarheid
  • 6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid
  • 2 maanden in geval van sterk verminderde verwijtbaarheid.
De eerste vier termijnen zijn ontleend aan de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB. De SVB heeft een vijfde termijn toegevoegd omdat de SVB ook rekening houdt met gevallen van sterk verminderde verwijtbaarheid.
De SVB verlaagt de boete indien de belanghebbende deze niet binnen de toepasselijke termijn kan betalen door zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen aan te spreken. De SVB stelt de boete vast op het bedrag dat de belanghebbende binnen deze termijn wel kan betalen door zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen te benutten. Voor de uitleg van de begrippen aflossingscapaciteit en vermogen sluit de SVB aan bij de definities uit artikel 1 van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen. Op basis van deze regeling wordt bij het berekenen van de aflossingscapaciteit onder andere de bijstandsnorm genoemd in artikel 21 Participatiewet gebruikt. In afwijking hiervan gebruikt de SVB de hogere bijstandsnorm genoemd in artikel 22 Participatiewet bij het vaststellen van de boete voor AOW-gerechtigden.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
4.Basisregistratie Personen.
5.Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en van 7 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:234.
6.Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 maart 2017, Stcrt. 2017, 17689.
7.Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Regeling uitzondering inlichtingenplicht.