ECLI:NL:CRVB:2026:431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- G.C. Boot
- S.B. SmitColenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens niet opgegeven indirecte uren zelfstandige
Appellant was tot november 2022 in loondienst en ontving daarna een WW-uitkering. Hij begon als zelfstandige en moest maandelijks zijn gewerkte uren opgeven, zowel directe als indirecte uren. Appellant gaf echter alleen directe uren door, terwijl hij ook indirecte uren maakte, zoals administratie en acquisitie.
Het UWV stelde na onderzoek vast dat de fictieve inkomsten van appellant als zelfstandige meer dan 87,5% van zijn maandloon bedroegen, waardoor hij geen recht meer had op WW-uitkering. De uitkering werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode van november 2022 tot augustus 2023.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, omdat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet alle uren op te geven. Appellant voerde aan verkeerd geïnformeerd te zijn door zijn contactpersoon bij het UWV, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het werkplan en de gevolgde online training maakten duidelijk dat zowel directe als indirecte uren moesten worden opgegeven. Het beroep van appellant werd verworpen en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering bleven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wegens niet opgegeven indirecte uren als zelfstandige worden bevestigd.