Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:431

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/262 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WWArt. 1b WWArt. 20 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens niet opgegeven indirecte uren zelfstandige

Appellant was tot november 2022 in loondienst en ontving daarna een WW-uitkering. Hij begon als zelfstandige in de horeca en moest maandelijks zijn directe en indirecte uren doorgeven aan het Uwv. Appellant gaf echter alleen directe uren op, terwijl ook indirecte uren zoals administratie en acquisitie moesten worden opgegeven.

Het Uwv stelde na onderzoek vast dat de fictieve inkomsten van appellant als zelfstandige meer dan 87,5% van zijn maandloon bedroegen. Daarom werd de WW-uitkering ingetrokken en teruggevorderd over de periode van november 2022 tot augustus 2023. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, omdat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden en onvoldoende tegenbewijs leverde.

Appellant voerde aan dat hij verkeerd was geïnformeerd door zijn contactpersoon bij het Uwv, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat appellant de urenopgave zelf had moeten controleren. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering in stand bleef.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wegens niet opgegeven indirecte uren als zelfstandige wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/262 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 januari 2025, 24/3390 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv op goede gronden de WW-uitkering van appellant met ingang van 28 november 2022 heeft ingetrokken en over de periode van 28 november 2022 tot en met 31 augustus 2023 heeft teruggevorderd, omdat zijn (fictieve) inkomsten als zelfstandige meer dan 87,5% van zijn maandloon bedragen. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft daarop een reactie gegeven.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, door middel van videobellen, laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is tot 25 november 2022 werkzaam geweest als projectmanager bij [naam 1] B.V. Met ingang van 28 november 2022 heeft het Uwv hem een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.2.
Op 22 december 2022 heeft de contactpersoon van het Uwv een werkplan met betrekking tot appellant opgesteld. In het werkplan is vermeld dat appellant werkzaam is geweest in commerciële functies. Deze werkzaamheden gaven hem weinig voldoening en zijn voorkeur gaat daarom uit naar een functie met een dienstverlenend karakter, waarbij hij denkt aan de horeca. Appellant heeft inmiddels contact gelegd met franchisegever [naam 2] om als franchiseondernemer een restaurant te beginnen. Appellant heeft de online training ‘Zelfstandig ondernemen met een WW-uitkering’ gevolgd en het bewijs van deelname via de werkmap gedeeld. In het werkplan staat verder dat appellant elke maand de verloonde en niet-verloonde uren moet doorgeven op de inkomstenopgave. Deze staat de eerste van de maand voor hem klaar op www.mijnuwv.nl. Op het moment dat de afdeling WW de inkomstenopgave heeft ontvangen, gaat zij een fictief uurloon berekenen en dat blijvend in mindering brengen op de WW-uitkering. Hoe meer uren appellant doorgeeft, hoe groter de kans is dat de afdeling WW de uitkering beëindigt in verband met volledig zelfstandig ondernemerschap.
1.3.
Appellant heeft inkomstenopgaven gedaan van zijn werkzaamheden als zelfstandige voor [naam 3] v.o.f. Volgens deze inkomstenopgaven heeft appellant in de maanden juli, augustus en september 2023 respectievelijk 25 uur, 100 uur en 160 uur gewerkt voor [naam 3] v.o.f. Naar aanleiding van deze inkomstenopgaven heeft het Uwv bij besluit van 10 oktober 2023 de WW-uitkering van appellant met ingang van 1 september 2023 beëindigd, omdat het (fictieve) inkomen als zelfstandige meer dan 87,5% van zijn maandloon bedraagt.
1.4.
Naar aanleiding van een interne melding, waarin is beschreven dat appellant werkzaam is als zelfstandige maar mogelijk zijn werkzaamheden niet, niet tijdig of onvolledig heeft doorgegeven, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WW-uitkering. In dat kader heeft het Uwv interne systemen geraadpleegd en informatie opgevraagd bij de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst. Ook heeft appellant op verzoek van het Uwv op 16 januari 2024 een verklaring opgesteld met een overzicht van zijn gewerkte directe en indirecte uren als zelfstandige per maand over de periode van november 2022 tot en met september 2023. Vervolgens is appellant op 20 februari 2024 gehoord door een medewerker van de directie Handhaving van het Uwv. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 1 maart 2024 (onderzoeksrapport). Op basis van de urenopgave van appellant heeft het Uwv bij besluiten van 28 maart 2024 de aanspraken op WW-uitkering opnieuw berekend en geconcludeerd dat appellant over de maanden december 2022 tot en met augustus 2023 geen recht heeft op een WW-uitkering omdat zijn inkomsten meer dan 87,5% van zijn maandloon bedragen.
1.5.
Bij besluit van 25 april 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 28 november 2022 ingetrokken en over de periode van 28 november 2022 tot en met 31 augustus 2023 een bedrag van € 19.306,37 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 22 augustus 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat appellant op 16 januari 2024 desgevraagd over de periode van 1 november 2022 tot en met 30 september 2023 zijn directe en indirecte uren heeft opgegeven. Uit het door appellant gegeven overzicht blijkt dat deze uren niet overeenkomen met de door appellant op de formulieren inkomstenopgave vermelde uren. Appellant heeft op de formulieren inkomstenopgave de door hem gewerkte indirecte uren, dus de niet-verloonde uren, niet opgegeven. In de alsnog door appellant gedane opgave van indirecte uren gaat het om maandelijks 200 uren aan indirecte werkzaamheden, zoals stage, administratie, acquisitie, reisuren en dergelijke. Alles met het oog op het kunnen starten van zijn franchise horeca zaak. Gelet op de omvang en het karakter van die werkzaamheden, heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant over de maanden die het betreft geen recht had op een WWuitkering. Appellant heeft niet gesteld dat zijn opgave van 16 januari 2024 onjuist was en ook overigens is geen tegenbewijs geleverd dat hij over (een deel van) de genoemde periode wel recht had op een WW-uitkering. De rechtbank is verder van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellant, door niet al zijn gewerkte uren als zelfstandige volledig door te geven, de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd om tegenbewijs te leveren. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij niet wist dat hij de niet-verloonde uren waarmee hij niet direct inkomsten verwierf, diende op te geven omdat zijn contactpersoon bij het Uwv hem hierover verkeerd heeft geïnformeerd. Hij heeft die stelling echter niet aannemelijk gemaakt. In het voor appellant door zijn contactpersoon opgestelde werkplan staat vermeld dat appellant als zelfstandige in de horeca wil gaan werken, dat hij de online training ‘Zelfstandig ondernemen met een WW-uitkering’ gevolgd heeft en daarvan het bewijs van deelname via de werkmap heeft gedeeld en dat hij duidelijk aangegeven heeft geen gebruik te willen maken van de startperiode en de WW stop wil zetten zodra hij als zelfstandig ondernemer is begonnen. In het werkplan staat ook dat appellant elke maand de verloonde en niet-verloonde uren opgeeft op de inkomstenopgave. Appellant heeft dit werkplan, dat voor hem vanaf 22 december 2023 digitaal beschikbaar was, blijkens loggegevens van het Uwv diezelfde dag om 10:59 uur geopend. Dat hij, zoals ter zitting door hem is verklaard, het werkplan in een quick scan even bekeken heeft en de passage over de uren niet heeft gezien, komt naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico. Mede gelet op wat in het werkplan door de contactpersoon van appellant is opgenomen, acht de rechtbank het ook onaannemelijk dat die contactpersoon in strijd met de regels aan appellant zou hebben meegedeeld dat hij werkzame uren waarmee hij niets verdiende niet hoefde op te geven. Het valt niet uit te sluiten dat appellant dit verkeerd begrepen heeft, maar juist daarom was het van belang dat hij kennis nam van wat er in het werkplan over de afspraken was neergelegd.
2.3.
Dringende redenen om van de herziening (lees: intrekking) en terugvordering van het teveel betaalde bedrag aan WW-uitkering af te zien, zijn naar het oordeel van de rechtbank gesteld noch gebleken. Dat het voor appellant om zeer grote bedragen gaat is duidelijk, maar die enkele omstandigheid levert geen dringende reden op.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft zijn standpunt gehandhaafd dat sprake is van een fout van de contactpersoon van het Uwv. Volgens appellant heeft hij haar instructie gevolgd door alleen de directe uren als zelfstandige door te geven aan het Uwv.

Het oordeel van de Raad

4. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Op grond van artikel 1b, vijfde lid, van de WW, worden voor deze werknemer die de hoedanigheid van werknemer verliest de uren die worden besteed aan de werkzaamheden als zelfstandige of andere activiteiten aangemerkt en toegerekend als fictief inkomen. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de WW is geregeld in welke mate die fictieve inkomsten van invloed zijn op het recht op WWuitkering. Dat recht eindigt, eenvoudig gezegd, met ingang van de eerste kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen heeft dat meer dan 87,5% van het maandloon is.
4.1.
Het is vaste rechtspraak [1] dat voor de vaststelling van werkzaamheden als zelfstandige niet alleen de declarabele (directe) uren van belang zijn, maar ook de (indirecte) uren die besteed zijn aan acquisitie, reistijd, correspondentie, telefoontjes, scholing, administratie en dergelijke. Het Uwv heeft op grond van de verklaring van appellant van 16 januari 2024 over het aantal gewerkte directe en indirecte uren als zelfstandige terecht geconcludeerd dat appellant vanaf 28 november 2022 geen recht heeft op een WWuitkering. Appellant had op de formulieren inkomstenopgave niet alleen de directe uren, maar ook de indirecte uren moeten vermelden. In het werkplan van 22 december 2022 staat duidelijk vermeld dat appellant niet alleen zijn verloonde uren moet opgeven maar ook zijn niet-verloonde uren. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant het werkplan op 22 december 2022 om ongeveer 10:59 uur heeft geopend. Hij heeft ter zitting bij de rechtbank ook erkend dat hij het werkplan heeft gelezen. Dat hij naar eigen zeggen het werkplan met een ‘quick scan’ heeft gelezen en de passage over de uren niet heeft gezien komt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor zijn rekening en risico.
4.2.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij verkeerd is voorgelicht door zijn contactpersoon bij het Uwv of dat deze contactpersoon hem heeft toegezegd dat hij alleen de verloonde uren hoefde door te geven. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant verkeerd is voorgelicht door het Uwv of dat hem een dergelijke toezegging is gedaan. Dat zou ook in strijd zijn met wat de contactpersoon van het Uwv in het werkplan van appellant heeft opgenomen over de opgave van gewerkte uren als zelfstandige. Bovendien is tijdens de online training ‘Zelfstandig ondernemen met een WW-uitkering’, die appellant heeft gevolgd, ook aan de orde gekomen dat als iemand meteen start als zelfstandige, zonder startperiode, ook indirecte uren die als zelfstandige worden gewerkt, aan het Uwv moeten worden doorgegeven.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.G.J. van Eck
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 8 van Pro de WW.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0177.