ECLI:NL:CRVB:2026:44

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
23/3036 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering van ANW-uitkering wegens niet opgegeven inkomsten uit eigen onderneming

In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van de ANW-uitkering van appellant, die sinds oktober 2011 een uitkering ontving voor zichzelf en zijn minderjarige dochter. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de uitkering met terugwerkende kracht herzien omdat bij de berekening van het uitkeringsbedrag geen rekening is gehouden met de inkomsten van appellant uit zijn eigen onderneming. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat er geen dringende redenen zijn om de herziening van de uitkering en de daaruit voortvloeiende terugvordering van het te veel betaalde bedrag verder te beperken dan al is gebeurd in het bestreden besluit. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. I.C. Dijkstra, en de Svb is vertegenwoordigd door mr. J.A.H. Koning. De rechtbank had eerder het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat appellant zijn winst uit onderneming niet had doorgegeven aan de Svb en niet had voldaan aan de mededelingsverplichting. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de aangevallen uitspraak, wat betekent dat de herziening van de uitkering over de jaren 2019 tot en met 2021 en de daaruit voortvloeiende terugvordering in stand blijven.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 september 2023, 23/1646 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van de ANW-uitkering van appellant. De uitkering is met terugwerkende kracht herzien omdat bij de berekening van het uitkeringsbedrag geen rekening is gehouden met de inkomsten van appellant uit zijn eigen onderneming. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat er in dit geval geen dringende redenen aanwezig zijn om de herziening van de uitkering en de daaruit voortvloeiende terugvordering van het te veel betaalde bedrag verder te beperken dan al is gebeurd in het bestreden besluit.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.C. Dijkstra, gemachtigde, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkstra. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving vanaf oktober 2011 een ANW [1] -uitkering voor zichzelf en zijn minderjarige dochter. Appellant werkte in loondienst en had wisselende inkomsten, afhankelijk van het seizoen. In verband hiermee heeft de Svb een fictief inkomen vastgesteld. Op basis van de inkomensgegevens die werden ontvangen van de Belastingdienst werd bekeken of de hoogte van de uitkering juist was vastgesteld. Op grond van de inkomensgegevens werd de ANW-uitkering van appellant diverse keren herzien. Met ingang van 1 augustus 2021 is de ANW-uitkering beëindigd omdat de dochter 18 jaar was geworden.
1.2.
Met een besluit van 23 november 2022 heeft de Svb de uitkering van appellant over de periode januari 2018 tot en met juli 2021 met terugwerkende kracht herzien en vastgesteld dat appellant in de betreffende periode € 24.102,01 teveel aan ANW-uitkering heeft ontvangen. Met een besluit van 6 december 2022 is dit bedrag van appellant teruggevorderd. De reden hiervoor is dat in maart 2022 uit gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat appellant in 2018 inkomsten uit eigen bedrijf had. Uit de bij appellant opgevraagde aangiftes over de jaren 2017 tot en met 2021 is gebleken dat appellant vanaf 1 januari 2018 als zelfstandige werkt en inkomsten heeft verworven. Het vanaf 1 januari 2018 genoten inkomen is ten onrechte niet in mindering gebracht op de ANW-uitkering.
1.3.
Appellant heeft tegen de in 1.2 genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Met een besluit van 17 januari 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar deels gegrond verklaard. Vanwege dringende redenen heeft de Svb besloten om de uitkering over het jaar 2018 niet te herzien, wat heeft geleid tot een verlaging van de terugvordering tot € 21.277,51. Met appellant is een betalingsregeling getroffen waarin hij vanaf maart 2023 € 500,- per maand terugbetaalt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat appellant zijn winst uit onderneming niet heeft doorgegeven aan de Svb en dat hij niet heeft voldaan aan de mededelingsverplichting. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank ziet geen grond om het besluit tot herziening en terugvordering onjuist te achten. Voor een verdere matiging van de terugvordering ziet de rechtbank geen aanleiding.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over herziening en terugvordering van de ANW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de periode januari 2018 tot en met juli 2021 te veel ANW-uitkering heeft ontvangen, omdat bij de uitbetaling van de uitkering in die periode geen rekening is gehouden met de inkomsten die appellant verwierf als zelfstandige met een eigen onderneming. Dit betekent dat de Svb op grond van artikel 34, eerste lid, en artikel 53, eerste lid, van de ANW verplicht is de uitkering over dit tijdvak te herzien en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er dringende redenen zijn om de uitkering niet te herzien of de herziening – en de daaruit voortvloeiende terugvordering – verder te beperken dan in het bestreden besluit is gebeurd (artikel 34, tweede lid, van de ANW).
Dringende redenen
4.2.
In een tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van het begrip “dringende redenen” verruimd. [2] De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat de dringende redenen bij de herziening en de terugvordering dezelfde inhoud hebben en dat beleidsregels om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn aan te merken als binnenwettelijk beleid.
4.3.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Dit nieuwe, soepeler beleid past de Svb toe in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 heeft de Svb de vaste gedragslijn gehanteerd dat de “dringende reden”-toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening. In een uitspraak van 21 november 2024 [3] heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met bovenstaande in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 is beoogd.
4.4.
Als de Svb een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de Svb rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Svb ziet geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de Svb onder meer belang aan de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de Svb een verwijt kan worden gemaakt. Daarbij acht de Svb onder andere van belang of sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De uitkering wordt in zo’n geval verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van (in beginsel) maximaal 5 jaar.
4.5.
De vaste gedragslijn bij de terugvordering is sinds 3 december 2025 als beleidsregel opgenomen in SB1429:
“De dringende reden in bepalingen over de terugvordering heeft dezelfde inhoud als de dringende reden in bepalingen over verlaging of intrekking van de uitkering (ECLI:NL:CRVB:2024:726). Omstandigheden die al zijn meegewogen bij de verlaging of intrekking (zie SB1407) leiden niet tot een verdere matiging van de terugvordering.
Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering van belang. Bij de oorzaak kijkt de SVB naar het aandeel van de SVB en het aandeel van betrokkene. Bij de gevolgen kijkt de SVB naar de sociale en financiële gevolgen voor betrokkene. De SVB weegt de financiële gevolgen normaal gesproken pas mee in het invorderingsbesluit. Als bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit besluit ernstige financiële gevolgen voor betrokkene zal hebben, houdt de SVB hiermee rekening bij het nemen van dit besluit (ECLI:NL:CRVB:2024:726, ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en ECLI:NL:CRVB:2024:2192).”
4.6.
De Svb heeft naar het oordeel van de Raad bij de beoordeling van de dringende reden zowel aan de oorzaak als aan de gevolgen van het besluit tot herziening van de ANWuitkering aandacht besteed en daarbij alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen. Dit heeft ertoe geleid dat de uitkering over het jaar 2018 niet is herzien. Daardoor is de uit de herziening voortvloeiende terugvordering verminderd van € 24.102,01 tot € 21.277,51. De Svb heeft geen aanleiding hoeven zien om de herziening of terugvordering verder te beperken. De Raad overweegt daartoe als volgt.
4.6.1.
Appellant heeft betoogd dat de herziening en de terugvordering in overwegende mate zijn te wijten aan de Svb. De beperking van de herziening en de daaruit voorvloeiende verlaging van de terugvordering door de Svb doen volgens appellant onvoldoende recht aan het eigen aandeel van de Svb in de ontstane situatie. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat hem niet kan worden verweten de mededelingsplicht te hebben geschonden. Hij heeft tijdens een huisbezoek van de Svb in september 2017 meegedeeld dat hij aan het eind van het jaar uit loondienst zou gaan en vanaf januari 2018 zou gaan starten als zelfstandige. Ook heeft appellant erop gewezen dat de Svb heeft erkend dat in de brief van 11 april 2018, over herziening van de ANW-uitkering van appellant over de periode november 2017 tot en met maart 2018, is nagelaten hem erop te wijzen dat zijn inkomsten na de beëindiging van zijn betrekking in loondienst op € 0,- waren vastgesteld. In diezelfde brief is bovendien vermeld dat de Belastingdienst de inkomsten van appellant aan de Svb doorgeeft. Appellant mocht er dus van uitgaan dat de Svb op de hoogte was van zijn inkomsten en dat de hoogte van de uitkering daarop afgestemd was.
4.6.2.
Deze gronden slagen niet. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hem geen schending van de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de ANW kan worden verweten vanwege zijn mededeling over de beëindiging van zijn werkzaamheden in loondienst tijdens het huisbezoek in september 2017. Gesteld dat deze mededeling inderdaad is gedaan, wat niet uit het verslag van het huisbezoek blijkt, is de Raad van oordeel dat een dergelijke mededeling onvoldoende concreet en precies is om te kunnen gelden als een mededeling in de zin van artikel 35, eerste lid, van de ANW van het gaan verwerven van inkomsten als zelfstandige. Daarbij is ook van belang dat het huisbezoek gericht was op het onderzoeken van de woonsituatie van appellant en niet op zijn inkomenssituatie.
4.6.3.
Ook het betoog over de brief van 11 april 2018 treft geen doel. Appellant heeft weliswaar gelijk dat de vermelding in deze brief, dat de Belastingdienst zijn inkomsten aan de Svb doorgeeft, de indruk kan hebben gewekt dat dit ook na de beëindiging van zijn betrekking in loondienst nog het geval was, maar hieruit kan naar het oordeel van de Raad niet de conclusie worden getrokken dat de herziening en terugvordering louter hieraan te wijten zijn. Immers, artikel 35, eerste lid, van de ANW verplicht nabestaanden tot het onverwijld uit eigen beweging mededelen van alle feiten of omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de hoogte van de uitkering. In de correspondentie met appellant heeft de Svb hem herhaaldelijk erop gewezen dat hij wijzigingen in de hoogte of aard van zijn inkomsten binnen vier weken diende door te geven aan de Svb. Appellant ontving vanaf 2018 maandelijks hetzelfde uitkeringsbedrag. Dat bedrag was bovendien bijna drie keer zo hoog als in voorgaande jaren toen verrekening plaatsvond met zijn inkomsten. Appellant was door die eerdere verrekening van zijn inkomsten ook bekend met het feit dat zijn ANW-uitkering inkomensafhankelijk was. Hij had zich kunnen en moeten realiseren dat het betaalde hoge uitkeringsbedrag niet kon kloppen. De herziening en het oplopen van de terugvordering is dus ook aan hemzelf te wijten.
4.6.4.
Gesteld noch gebleken is dat appellant onaanvaardbare financiële of sociale consequenties ondervindt dan wel heeft ondervonden van de herziening van de uitkering en de verplichting tot betaling van het teruggevorderde bedrag. In wat door appellant is aangevoerd heeft de Svb dan ook geen aanleiding hoeven zien om op grond van dringende redenen de herziening en/of terugvordering verdergaand te beperken dan in het bestreden besluit al is gebeurd.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat herziening van de uitkering over de jaren 2019 tot en met 2021 en de daaruit voortvloeiende terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en L.M. Tobé en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M.S. van Veller

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Algemene nabestaandenwet (ANW)
Artikel 18
1. Op de nabestaandenuitkering wordt inkomen in mindering gebracht.
2. In afwijking van het eerste lid wordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten:
a. een bedrag gelijk aan 50% van het bruto-minimumloon, alsmede
b. voor zover het inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het in onderdeel a bedoelde bedrag, een derde gedeelte van dat meerdere.
Artikel 19
1. De nabestaandenuitkering wordt bij wijziging van het inkomen herzien. Deze herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet. (…)
Artikel 34
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 35, 36, tweede lid, of 37 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 35, 35a, 36, tweede lid, of 37 er toe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 35
1. De nabestaande, het ouderloos kind en zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt uitbetaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2. (…)
Artikel 53
1. De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd. (…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. (…)

Beleidsregel SB1407: Verlaging of intrekking van de uitkering

Dringende reden in de AOW, Anw, AKW, Participatiewet, Remigratiewet en OBR
De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beleid
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ‘kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.

Voetnoten

1.Algemene nabestaandenwet.