Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:445

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/1455 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 46, eerste lid, ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband

Appellant had een WW-uitkering en later een ZW-uitkering ontvangen na een dienstverband bij een B.V. Het UWV vermoedde echter dat sprake was van een gefingeerd dienstverband en startte een onderzoek, waarbij onder meer bankafschriften en loonbetalingen werden onderzocht. Het UWV concludeerde dat appellant niet als werknemer was verzekerd voor WW en ZW en trok de uitkeringen in, gevolgd door terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen.

De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen echte dienstbetrekking was, mede omdat appellant geen objectief bewijs leverde van loonbetalingen en zijn werkzaamheden niet overeenkwamen met de arbeidsovereenkomst. Ook de Raad onderschreef dit oordeel en bevestigde dat appellant onvoldoende tegenbewijs had geleverd om het gefingeerde dienstverband te weerleggen.

De Raad benadrukte dat de beoordeling van een arbeidsovereenkomst plaatsvindt aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij niet alleen de formele overeenkomst maar ook de feitelijke uitvoering van de arbeidsrelatie wordt meegewogen. Omdat appellant geen dringende redenen had aangevoerd om af te zien van intrekking en terugvordering, bleef het UWV-besluit in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 april 2026.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1455 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juni 2025, 24/3395 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW- en de ZW-uitkering van appellant heeft ingetrokken en teruggevorderd omdat sprake is van een gefingeerd dienstverband waardoor appellant niet als werknemer verplicht verzekerd is voor die wetten. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Voor appellant is mr. Cools verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Appellant heeft op 5 augustus 2020 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij van 1 augustus 2019 tot 1 augustus 2020 in dienst is geweest van [naam B.V.] ( [naam B.V.] ). Volgens de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was appellant werkzaam in de functie van Toezichthouder Bouw in een omvang van 40 uur per week en een salaris van € 4.750,- bruto per maand. Bij besluit van 14 september 2020 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 augustus 2020 een WW-uitkering toegekend voor de duur van drie maanden. Per 11 november 2020 heeft appellant zich, binnen vier weken na het einde van de WW-uitkering, [1] ziekgemeld bij het Uwv. Bij besluit van 25 januari 2021 heeft het Uwv appellant per 13 november 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 24 november 2021 heeft het Uwv de ZWuitkering per 22 november 2021 beëindigd, omdat appellant per die datum hersteld is.
1.1.
Naar aanleiding van een onderzoek naar gefingeerde dienstverbanden bij een andere onderneming is bij het Uwv het vermoeden ontstaan dat bij [naam B.V.] sprake was van gefingeerde dienstverbanden. In verband hiermee heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WW- en ZW-uitkering. In dat kader heeft het Uwv (interne) systemen geraadpleegd, informatie over [naam B.V.] ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst en bij verschillende banken transactiegegevens van [naam B.V.] gevorderd. Ook heeft op 10 december 2021 een gesprek plaatsgevonden met appellant. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 3 januari 2022 (onderzoeksrapport). Naar aanleiding van het onderzoeksrapport heeft het Uwv de volgende besluiten genomen.
1.2.
Bij besluit van 2 februari 2022 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 3 augustus 2020 ingetrokken. Bij een ander besluit van 2 februari 2022 (besluit 2) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 13 november 2020 ingetrokken. Bij besluit van 9 februari 2022 (besluit 3) heeft het Uwv over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 oktober 2020 een bedrag van € 6.576,12 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 9 februari 2022, gecorrigeerd bij besluit van 18 oktober 2022, (besluit 4) heeft het Uwv over de periode van 1 november 2020 tot en met 30 november 2021 een bedrag van € 25.782,29 aan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant teruggevorderd.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 25 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat uit het onderzoeksrapport is gebleken dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [naam B.V.] . Volgens het Uwv is sprake geweest van een gefingeerd dienstverband. Als gevolg hiervan was appellant niet als werknemer verplicht verzekerd voor de WW en daardoor ook niet voor de ZW. Daarom is het Uwv van mening dat de WW-uitkering en de ZW-uitkering terecht zijn ingetrokken en teruggevorderd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen ‘echte’ dienstbetrekking tussen appellant en [naam B.V.] is geweest. In het gesprek dat appellant op 10 december 2021 met medewerkers van het Uwv heeft gehad, heeft hij verschillende keren gezegd dat hij zijn loon soms op zijn bankrekening kreeg gestort en soms (in ongeveer de helft van de betalingen) contant uitbetaald kreeg. De medewerkers van het Uwv hebben appellant in het gesprek gevraagd de afschriften van zijn bankrekening over de periode 1 juni 2019 tot en met 1 januari 2021 aan het Uwv toe te sturen, maar dit heeft appellant niet gedaan. Met een brief van 13 december 2021 heeft appellant twee exemplaren van het verslag van het gesprek op 10 december 2021 gekregen, met de mededeling dat hij binnen drie werkdagen kan reageren op dit gespreksverslag of iets kan toevoegen, zoals hem ook al was meegedeeld op 10 december 2021. Appellant heeft niet meer gereageerd, zodat van de juistheid van het verslag mag worden uitgegaan en appellant aan zijn verklaringen mag worden gehouden. Verder blijkt uit de afschriften van de verschillende bankrekeningen van [naam B.V.] , waarover het Uwv beschikt (ING, Rabobank en Knab) ook niet van loonbetalingen aan appellant. Daarmee heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam B.V.] geen loon heeft betaald aan appellant.
2.2.
Ook de andere omstandigheden die door het Uwv in het bestreden besluit zijn genoemd, maken een gefingeerd dienstverband tussen appellant en [naam B.V.] aannemelijk. Zo was appellant volgens de arbeidsovereenkomst in dienst getreden in de functie van Toezichthouder Bouw, maar bestond zijn werk naar eigen zeggen uit sloopwerk en het helpen van vaklieden. Ook is zijn al hoge, niet-marktconforme, loon volgens een van de loonspecificaties (waarvan overigens uiteenlopende versies bestaan) per 1 januari 2020 zelfs nog verhoogd met € 916,79 bruto, waarvoor appellant geen verklaring heeft gegeven.
2.3.
Het is vervolgens aan appellant om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat de informatie van het Uwv niet juist is. Dit heeft appellant echter niet gedaan. Zo heeft appellant weliswaar een arbeidsovereenkomst overgelegd, maar dit is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat hij daadwerkelijk arbeid heeft verricht en loon heeft ontvangen. Tijdens het gesprek met de onderzoekers van het Uwv heeft appellant gesteld dat hij, wanneer hij zijn salaris contant kreeg, een gedeelte op zijn bankrekening stortte, maar ook dit heeft appellant niet onderbouwd met bankafschriften. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er dan ook niet in geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens voldoende tegenbewijs te leveren dat hij daadwerkelijk werkzaam is geweest voor [naam B.V.] .
2.4.
De rechtbank is dan ook tot de conclusie gekomen dat het Uwv op juiste gronden heeft besloten dat appellant niet was verzekerd voor de WW. Gelet op artikel 7, onderdeel a, van de ZW betekent dit ook dat appellant geen recht op een ZW-uitkering had. Het Uwv heeft terecht deze uitkeringen ingetrokken. De rechtbank heeft verder overwogen dat wanneer sprake is van dringende redenen, van intrekking kan worden afgezien en voor een uitgebreide beschrijving van de uitgangspunten die hierbij gelden, verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. [2] Het is aan appellant om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat sprake is van dringende redenen. Dit heeft appellant echter niet gedaan. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan te nemen dat sprake is van dringende redenen om af te zien van de intrekking van de WW- en ZWuitkering.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht de WW- en ZW-uitkering teruggevorderd. In beginsel is terugvordering een verplichting, tenzij sprake is van een dringende reden. Van een dringende reden om af te zien van terugvordering is, om dezelfde reden als hiervoor weergegeven ten aanzien van de intrekking, geen sprake.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij wel werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [naam B.V.] . Appellant bestrijdt niet dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband, maar is van mening dat hij aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens voldoende tegenbewijs heeft geleverd om toch een privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig te achten.

Het oordeel van de Raad

4. Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf [3] worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.
4.1.
Wat appellant heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Het Uwv heeft op basis van de onderzoeksgegevens uit het onderzoeksrapport aannemelijk gemaakt dat appellant niet werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [naam B.V.] en appellant heeft (ook) in hoger beroep niet de onjuistheid van dat standpunt met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkering en ZW-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.G.J. van Eck
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Voetnoten

1.Artikel 46, eerste lid, van de ZW.
2.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
3.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).