ECLI:NL:CRVB:2026:445
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- G.C. Boot
- S.B. SmitColenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd en ontvangen op basis van een arbeidsovereenkomst bij een B.V. Na onderzoek door het Uwv ontstond het vermoeden van een gefingeerd dienstverband, waarop de uitkeringen werden ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde dat het Uwv voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen echte dienstbetrekking was, mede door het ontbreken van loonbetalingen op bankrekeningen en tegenstrijdigheden in de werkzaamheden en loonopgaven van appellant. Appellant slaagde er niet in met objectief bewijs tegenbewijs te leveren.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de beoordeling van een arbeidsovereenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf plaatsvindt, waarbij alle omstandigheden en feitelijke uitvoering worden meegewogen.
De Raad concludeerde dat appellant niet als werknemer verplicht verzekerd was voor WW en ZW, waardoor de intrekking en terugvordering van de uitkeringen terecht is. Het hoger beroep werd verworpen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkeringen worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.