Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:464

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/2574 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1a:1 WajongHoofdstuk 3 WajongAlgemene wet bestuursrecht (Awb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering terugkomen op eerdere besluiten Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft sinds 2007 meerdere verzoeken ingediend om een Wajong-uitkering toe te kennen, welke door het UWV zijn afgewezen. Zij stelt dat haar medische situatie sinds 2001 is verslechterd en dat zij daarom als jonggehandicapte moet worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat het verzoek van 2021 moet worden gezien als een verzoek om terug te komen op eerdere besluiten en dat het UWV onvoldoende gemotiveerd had waarom het niet terugkwam op die besluiten.

Na een aanvullend medisch onderzoek concludeerde de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de belastbaarheid van appellante in 2001 niet kan worden vastgesteld en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand.

De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel en stelt dat het aan appellante was om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen. Het UWV hoefde geen aanvullend medisch onderzoek te verrichten. De Raad oordeelt dat de weigering om terug te komen op de eerdere besluiten niet evident onredelijk is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV terecht weigert terug te komen op eerdere besluiten en de Wajong-uitkering wordt niet toegekend.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2574 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 oktober 2024, 22/4983 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van zijn besluiten uit 2007 en 2008, waarbij is geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante moet het Uwv haar gelet op haar medische situatie, die in de loop der jaren alleen maar is verslechterd, aanmerken als jonggehandicapte. De Raad volgt appellante daarin niet en oordeelt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de belastbaarheid van appellante in juli 2001 niet kan worden vastgesteld. Het Uwv hoefde zijn eerdere besluitvorming niet te herzien. Ook een beroep op de regeling toegenomen arbeidsongeschiktheid treft geen doel.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door E. Uittenbroek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Veldman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1978, heeft in de jaren 1996 tot en met 2001 en in 2008 rurale ontwikkelingssociologie gestudeerd aan de universiteit van Wageningen. Tijdens een reis in het kader van haar studie naar Mali in 2000 zijn bij appellante klachten ontstaan als gevolg van malaria.
1.2.
Bij besluit van 15 juni 2007 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Een verzoek van appellante om van dit besluit terug te komen is bij besluit van 4 november 2008 afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
1.3.
Op 15 juli 2021 heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft appellante vermeld dat zij te maken heeft met chronische vermoeidheid, malaise, neuropatische pijnen, prikkelbaar darmsyndroom, fibromyalgie, en een fors uitgestelde slaapfasestoornis. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 25 februari 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.4.
Bij besluit van 6 september 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Tussenuitspraak van de rechtbank
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de aanvraag van appellante moet worden beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 3 van de Wajong. De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) is niet van toepassing. Anders dan het Uwv stelt, moet de aanvraag van 15 juli 2021 worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de eerdere besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om het risico dat de eerdere beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende stukken niet meer beschikbaar zijn aan appellante tegen te werpen. Appellante heeft zelf melding gemaakt van de eerdere aanvragen en de uitkomsten daarvan. Bovendien heeft appellante een grote hoeveelheid aan medische informatie overgelegd. Deze informatie bestrijkt ook de periode van medio 2000 tot november 2008, zodat het Uwv aan de hand van die stukken had moeten reconstrueren waarom destijds (in 2007 en 2008) de aanvraag is afgewezen en zich opnieuw een oordeel had kunnen vormen over de arbeidsongeschiktheid van appellante toentertijd. Aangezien het Uwv deze beoordeling niet heeft gemaakt, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
Nader rapport verzekeringsarts bezwaar en beroep
2.2.
Na de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 3 april 2024 een rapport opgesteld. Volgens deze verzekeringsarts bezwaar en beroep is het onzeker dat appellante de wachttijd heeft volgemaakt. Als appellante het voordeel van de twijfel wordt gegeven, dan was er op einde wachttijd mogelijk sprake van beperkingen als gevolg van een doorgemaakte malaria-infectie en een doorgemaakte herpes zoster infectie. Over de mate van beperkingen kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen uitspraak doen, omdat er geen feitelijke gegevens aanwezig zijn over de belastbaarheid op dat moment. Dat geldt ook voor de vraag of binnen de vijfjaarstermijn sprake is geweest van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde oorzaak.
Aangevallen uitspraak
2.3.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op overtuigende wijze gemotiveerd dat appellante zowel per einde wachttijd (juli 2001) als in de vijf jaar hierna (tot 1 juli 2006) niet aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. De rechtbank is het met het Uwv eens dat er geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die ertoe kunnen leiden dat het Uwv gehouden zou zijn om terug te komen van de afwijzende besluiten uit 2007 en 2008.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij sinds 2001 een bijstandsuitkering ontvangt en haar telkens op medische gronden ontheffing is verleend van de arbeidsverplichtingen. Appellante heeft al jaren te maken met zware chronische vermoeidheid, zenuwpijnen en een lage weerstand. In juli 2022 is bij appellante baarmoederhalskanker geconstateerd. Hoewel de gezondheid van appellante door de jaren heen is verslechterd, is nu voor de vierde keer geen Wajonguitkering toegekend. Het Uwv heeft, naar aanleiding van de tussenuitspraak, ten onrechte geen medisch achtergrondonderzoek uitgevoerd. Het medisch dossier is niet opgevraagd en er is geen contact gezocht met de huisarts, gemeente, revalidatiecentra of medisch specialisten. Appellante stelt dat zij geen arbeidsvermogen heeft en dit niet kan ontwikkelen. Volgens appellante had de rechtbank meer rekening moeten houden met haar voorgeschiedenis van meer dan twintig jaar en een vuistdik medisch dossier. Appellante verzoekt om een bredere blik dan alleen een strikte uitvoering van de wet.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Dit doet hij aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Appellante heeft niet betwist dat haar aanvraag moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de eerdere besluitvorming uit 2007 en 2008. Van overeenkomstige toepassing is artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van de eerdere weigering(en) van een Wajong-uitkering. Als het standpunt van het bestuursorgaan hierin wordt gevolgd, beoordeelt de bestuursrechter vervolgens of de weigering om van de eerder genomen besluiten terug te komen evident onredelijk is.
5.2.
De stelling van appellante dat het Uwv ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij haar behandelaars slaagt niet. Bij een verzoek om terug te komen van eerdere besluiten, zoals hier aan de orde, is het aan appellante zelf om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren. Het lag dan ook op haar weg om nieuwe medische informatie aan te leveren en niet op die van het Uwv. Het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is voldoende zorgvuldig.
5.3.
Niet in geschil is dat 1 juli 2000 moet worden aangemerkt als eerste ziektedag, zodat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht zijn medische beoordeling allereerst heeft toegespitst op juli 2001, het einde van de wachttijd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle door appellante overgelegde informatie in zijn beoordeling betrokken en hij wordt erin gevolgd dat de belastbaarheid van appellante in 2001 niet meer kan worden vastgesteld. Ook als per einde wachttijd rekening wordt gehouden met de gevolgen van malaria en herpes zoster (gordelroos) kan de ernst van de beperkingen op dat moment niet worden vastgesteld. Gegevens over de belastbaarheid op dat moment zijn er namelijk niet. Wat appellante heeft aangevoerd, leidt niet tot twijfel aan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij heeft niet onderbouwd welke medische informatie de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemist dan wel niet op waarde heeft gewaardeerd. Voor zover uit de door appellante overgelegde stukken blijkt dat bij haar sprake is van HNP, een slaapstoornis, een prikkelbare darmsyndroom, uterusprolaps, costachondritis, cervixcarcinoom en later ontstane psychische klachten, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar gesteld dat het nieuwe ziekteoorzaken betreft die zijn ontstaan (ver) na 2001. Om dezelfde reden kan geen rekening worden gehouden met de diagnose baarmoederhalskanker. Deze ziekte is pas in juli 2022 bij appellante vastgesteld.
5.4.
Uit 5.3 volgt dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat het Uwv terug had moeten komen van zijn eerdere besluiten uit 2007 en 2008. In wat appellante heeft aangevoerd, is ten slotte geen grond gelegen om te oordelen dat de weigering van het Uwv om van deze besluiten terug te komen evident onredelijk is. Wat appellante heeft aangevoerd over het toepassen van maatwerk, leidt niet tot een ander oordeel aangezien de Wajong die ruimte niet kent ten aanzien van het al dan niet behoren tot de doelgroep van deze wet.
5.5.
Nu de belastbaarheid in 2001 niet kan worden vastgesteld, kan in de vijf jaar daarna geen sprake zijn van toegenomen beperkingen als bedoeld in artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat in de periode van juli 2001 tot en met juli 2006 niet gebleken is van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Wat appellante naar voren heeft gebracht over haar medische situatie na 2006 treft geen doel omdat dit buiten de voor de Wajong relevante periode valt.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) A.A. Verweij