ECLI:NL:CRVB:2026:495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens instemming beëindiging dienstverband tijdens ziekte
Appellant was sinds 1 mei 2019 in dienst bij een werkgever en heeft met een beëindigingsovereenkomst van 17 maart 2022 zijn arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2022 beëindigd. Op 1 september 2022 meldde hij zich ziek met terugwerkende kracht vanaf 30 augustus 2021. Het Uwv kende hem een Ziektewetuitkering toe met een maatregel dat deze niet werd uitbetaald, omdat appellant instemde met beëindiging tijdens ziekte en daardoor zijn loonaanspraken verloor.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar trok het beroep daarop in. Vervolgens vroeg appellant per 14 november 2022 een WW-uitkering aan, die het Uwv toekende van 2 augustus 2022 tot 1 januari 2024. Op 31 mei 2023 trok het Uwv deze WW-uitkering in, omdat appellant recht had op een Ziektewetuitkering die niet werd uitbetaald vanwege zijn instemming met beëindiging tijdens ziekte, waardoor geen recht op WW-uitkering kon ontstaan.
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren niet meer, maar verzocht om immateriële schadevergoeding. De Raad oordeelde dat het besluit rechtmatig was en dat er geen grond was voor schadevergoeding. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de WW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering per 31 mei 2023 wordt bevestigd en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.