ECLI:NL:CRVB:2026:532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- C.F.E. van Olden-Smit
- D.H. Harbers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na ontvangst erfenis ondanks tussentijdse aanspraak
Appellant ontving vanaf januari 2018 bijstand van het college. Na het overlijden van zijn tante in oktober 2021 ontstond zijn aanspraak op een erfdeel, dat hij daadwerkelijk ontving in juni 2022. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode vanaf het overlijden van de tante tot juni 2022.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens het ontbreken van een belangenafweging, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het college alsnog een belangenafweging had gemaakt. Appellant stelde in hoger beroep dat terugvordering onjuist was omdat hij voorafgaand aan de ontvangst van de erfenis niet over de middelen kon beschikken en dat de interingsnorm van 1,5 toegepast had moeten worden.
De Raad oordeelde dat artikel 58 lid 2 onder Pro f van de Participatiewet juist voorziet in terugvordering vanaf het moment dat de aanspraak op de erfenis ontstaat, ongeacht de feitelijke beschikking over de middelen. De bijstand was rechtmatig verleend zolang appellant niet over de middelen kon beschikken. De interingsnorm is niet van toepassing bij terugvordering van later ontvangen middelen. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering bleef in stand.
Uitkomst: De terugvordering van bijstandskosten vanaf het moment van overlijden van de tante blijft in stand.