Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:532

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/765 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PWArt. 58 PWArt. 18 PWArt. 48 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand na ontvangst erfenis ondanks tussentijdse aanspraak

Appellant ontving vanaf januari 2018 bijstand van het college. Na het overlijden van zijn tante in oktober 2021 ontstond zijn aanspraak op een erfdeel, dat hij daadwerkelijk ontving in juni 2022. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode vanaf het overlijden van de tante tot juni 2022.

De rechtbank vernietigde het besluit wegens het ontbreken van een belangenafweging, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het college alsnog een belangenafweging had gemaakt. Appellant stelde in hoger beroep dat terugvordering onjuist was omdat hij voorafgaand aan de ontvangst van de erfenis niet over de middelen kon beschikken en dat de interingsnorm van 1,5 toegepast had moeten worden.

De Raad oordeelde dat artikel 58 lid 2 onder Pro f van de Participatiewet juist voorziet in terugvordering vanaf het moment dat de aanspraak op de erfenis ontstaat, ongeacht de feitelijke beschikking over de middelen. De bijstand was rechtmatig verleend zolang appellant niet over de middelen kon beschikken. De interingsnorm is niet van toepassing bij terugvordering van later ontvangen middelen. Het hoger beroep werd afgewezen en de terugvordering bleef in stand.

Uitkomst: De terugvordering van bijstandskosten vanaf het moment van overlijden van de tante blijft in stand.

Uitspraak

24/765 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 februari 2024, 23/378 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (college)
Datum uitspraak: 21 april 2026

SAMENVATTING

Deze zaak ziet op een terugvordering van de kosten van bijstand op grond van de Participatiewet (PW) in verband met een ontvangen erfenis. Het college heeft de bijstand van appellant teruggevorderd vanaf de datum waarop de erflaatster is overleden. Volgens appellant is dat onjuist, omdat hij op dat moment nog niet over de erfenis kon beschikken. Appellant krijgt geen gelijk. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onderdeel f, ten eerste, van de PW is juist voor dit soort situaties bedoeld. Dit hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.F. de Vos.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving van het college met ingang van 2 januari 2018 bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op [datum] 2021 is een tante van appellant overleden. Op 25 juni 2022 heeft appellant uit de nalatenschap van zijn tante een bedrag van € 37.500,- ontvangen.
1.3.
Met een besluit van 29 augustus 2022 heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken per [datum] 2021 en beëindigd per 30 augustus 2022. Daarnaast heeft het college over de periode van [datum] 2021 tot en met 30 juni 2022 de kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 8.966,24.
1.4.
Met een besluit van 30 november 2022 (bestreden besluit) heeft het college de intrekking van de bijstand over de periode van [datum] 2021 tot en met 30 juni 2022 herroepen en het besluit van 29 augustus 2022 voor het overige gehandhaafd. Aan de terugvordering ligt ten grondslag dat sprake is van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onderdeel f, ten eerste, van de PW met betrekking tot een periode waarover bijstand is verleend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot terugvordering geen belangenafweging is gemaakt door het college. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, omdat het college ter zitting van de rechtbank alsnog een belangenafweging heeft gemaakt die niet tot een andere uitkomst leidde.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW niet voor de situatie van een erfenis is bedoeld. De rechtspraak over de toepassing van die bepaling bij de ontvangst van een erfenis is onjuist, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de PW. Over de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke ontvangst van zijn erfdeel kon hij immers (redelijkerwijs) niet beschikken over deze middelen. Tussen de periode van overlijden en het vrijkomen van een erfenis verstrijkt namelijk altijd een periode, waardoor er geen mogelijkheden zijn om te anticiperen op de ontvangst van een erfenis door de schade te beperken. Het college had daarom de bijstand moeten beëindigen vanaf het moment dat hij de erfenis daadwerkelijk heeft ontvangen en niet moeten terugvorderen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Terugvordering van bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW is mogelijk, als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar de betrokkene daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan beschikken. Zodra de betrokkene over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie tot terugvordering overgaan. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.1.2.
Bij de ontvangst van een erfenis is sprake van een dergelijk middel. Voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW in de situatie van een erfenis ontstaat de aanspraak op een erfdeel op het tijdstip van overlijden van de erflater. Met het overlijden van de tante van appellant op [datum] 2021 is op die datum zijn aanspraak op het erfdeel ontstaan. Dit betekent dat het college, na de daadwerkelijke ontvangst van de erfenis door appellant op 25 juni 2022, bevoegd was om de kosten van bijstand van hem terug te vorderen, voor zover deze bijstand niet verleend zou zijn, als appellant al op [datum] 2021 over zijn erfdeel had kunnen beschikken.
4.1.3.
Dat appellant geen mogelijkheid heeft gehad om te schade te beperken door de bijstand stop te zetten vanaf het moment dat de aanspraak op zijn erfdeel ontstond, teneinde een terugvordering te voorkomen, is geen aanleiding om af te wijken van deze vaste rechtspraak. Op het moment dat de aanspraak op de erfenis ontstond had appellant namelijk wel recht op bijstand, omdat hij toen nog niet beschikte of kon beschikken over de middelen uit die aanspraak. De bijstand is vanaf [datum] 2021 dan ook rechtmatig verleend.
4.2.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het gekozen systeem voor hem nadelig is. Voor zover er al vanaf [datum] 2021 tot terugvordering zou mogen worden overgegaan, had het college daarbij de zogenaamde interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm moeten hanteren. Het bestuursorgaan is gehouden het meest gunstige besluit te nemen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.2.1.
De interingsnorm is een norm voor intering op vermogen dat beschikbaar is en is ontwikkeld in relatie tot het criterium “tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan” als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW. Volgens vaste rechtspraak is deze norm niet van toepassing bij terugvordering van naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW. [2]

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevallen, bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) S. Ploum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 31, eerste lid, eerste volzin
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 58, tweede lid, aanhef en onderdeel f, ten eerste
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand:
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2607.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2238.