Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:533

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/1628 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 36 PWArt. 36b PWArt. 31 PWArt. 34 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten beheer persoonsgebonden budget wegens ontbreken noodzakelijkheid

Appellant, met een verstandelijke beperking, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van beheer van zijn persoonsgebonden budget (pgb) over 2023 en 2024. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo wees deze aanvragen af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb en dat zorg in natura (ZIN) voor hem niet mogelijk was.

Appellant stelde dat het pgb noodzakelijk was omdat hij zorg ontving via een kleinschalige woonvoorziening die alleen zorg via pgb aanbiedt. Hij overlegde onder meer een CIZ-indicatie uit 2013, een ondersteuningsplan, en verklaringen van pleegouders en bewindvoerder. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en liet de besluiten in stand.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat ZIN niet mogelijk was en dat hij aangewezen was op een pgb. De verklaringen toonden wel een passende woonplek, maar niet dat ZIN niet beschikbaar was. Appellant had ook niet aangetoond welke pogingen hij had gedaan om ZIN te verkrijgen. De Raad bevestigde dat de kosten van beheer van een pgb geen noodzakelijke kosten zijn als de betrokkene had kunnen kiezen voor ZIN.

De Raad wees het verzoek om een deskundige af en bevestigde de eerdere uitspraken. De afwijzingen van bijzondere bijstand blijven daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De afwijzingen van bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb over 2023 en 2024 worden bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zorg in natura niet mogelijk is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1628 PW, 25/701 PW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 5 juni 2024, 23/1690 (aangevallen uitspraak 1) en van 3 maart 2025, 24/3491 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
Datum uitspraak: 21 april 2026

SAMENVATTING

In deze zaken gaat het om afwijzingen van aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Participatiewet (PW). Het college vindt dat de kosten niet noodzakelijk zijn, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Appellant vindt deze kosten wel noodzakelijk omdat zorg in natura (ZIN) voor hem niet passend is en hij al zorg met een pgb ontvangt. Appellant krijgt geen gelijk. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat ZIN voor hem niet mogelijk is. De kosten van beheer van het pgb kunnen daarom niet als noodzakelijke kosten worden aangemerkt. De hoger beroepen slagen niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 10 maart 2026. Namens appellant is mr. Van Knippenbergh verschenen. Ook was [bewindvoerder 1] , bewindvoerder van appellant, aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.M. Pereira Wong-Chung.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1990, heeft een verstandelijke beperking. Hij is op jonge leeftijd bij zijn pleegouders komen wonen. Hij is in [plaatsnaam] naar school gegaan. In zijn laatste schooljaar is appellant (via de stichting [naam stichting] ) gaan werken bij [werkgever 1] in [plaatsnaam] (5 dagen per week). In juni 2011 is [werkgever 1] overgegaan in [werkgever 2] ( [plaatsnaam] ) en is appellant daar gaan werken (dagbestedingsprogramma). Appellant ontvangt vanaf zijn 18e jaar een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
1.2.
Vanaf 29 september 2009 kreeg appellant zorg vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Door het CIZ zijn in de loop van de jaren de indicaties voor de zorg van appellant herzien. De laatste indicatie dateert van 20 maart 2014, waarbij een zorgzwaartepakket VG04, 7 etmalen per week, is geïndiceerd, waarbij als voorkeur van de aanvrager “pgb” is vermeld. Met het pgb is de zorg voor appellant ingekocht bij [naam instelling] (gemeente [woonplaats] ) waar hij vanaf [datum] 2014 woont.
1.3.
Appellant staat sinds 11 november 2014 onder beschermingsbewind van [de bewindvoerder] B.V. (de bewindvoerder). Per die datum zijn zijn pleegouders tot mentor van appellant benoemd. Appellant heeft over de jaren 2016 tot en met 2022 bijzondere bijstand ontvangen van het college voor de kosten die de bewindvoerder maakte voor het beheer van het pgb.
1.4.
Op 17 januari 2023 heeft de bewindvoerder namens appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de PW voor de kosten van beheer van het pgb door de bewindvoerder voor het jaar 2023 tot een bedrag van € 664,32.
1.5.
Met een besluit van 6 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 juni 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb voor het jaar 2023 afgewezen.
1.6.
Op 22 december 2023 heeft de bewindvoerder namens appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de PW voor de kosten van beheer van het pgb door de bewindvoerder voor het jaar 2024 tot een bedrag van € 704,28.
1.7.
Met een besluit van 26 januari 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 mei 2024 (bestreden besluit 2), heeft het college ook deze aanvraag afgewezen.
1.8.
Aan de bestreden besluiten 1 en 2 ligt ten grondslag dat geen sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Appellant heeft namelijk, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet aannemelijk gemaakt dat hij is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb en geen gebruik kan maken van ZIN.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de afwijzingen van bijzondere bijstand voor het pgb-beheer over 2023 en 2024 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.2.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.3.
Niet in geschil is dat de hier in geding zijnde kosten zich voordoen. In geschil is alleen of die kosten noodzakelijk zijn.
4.4.
Appellant voert aan dat de kosten noodzakelijk zijn omdat hij feitelijk geen keuze had tussen ZIN of zorg in de vorm van een pgb. In 2014 is met de pleegouders van appellant, het CIZ en een begeleidende instantie gekeken wat medisch en voor zijn welzijn de meest passende plek was. Dat is het [naam instelling] geworden, omdat appellant gebaat is bij een kleinschalig huis. Het [naam instelling] bleek bij uitsluiting van alle andere alternatieven geschikt voor plaatsing van appellant. Het [naam instelling] biedt geen ZIN en werkt alleen met zorgverlening op basis van een pgb. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
De Raad heeft in de uitspraak van 21 oktober 2025 zijn vaste rechtspraak over bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van een pgb bevestigd. [2] Deze vaste rechtspraak houdt in dat de kosten van beheer van een pgb geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW, wanneer die kosten vermijdbaar zijn omdat de betrokkene had kunnen kiezen voor ZIN en daarom niet was aangewezen op een pgb. [3]
4.4.2.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de aanvraag om een CIZ-indicatie uit 2013 en de daarop gevolgde toekenning in 2014, het (individueel) ondersteuningsplan van [naam stichting] van 11 maart 2013, een verklaring van de pleegouders van appellant van 4 juli 2024 en een verklaring van de bewindvoerder van 29 april 2024. Hiermee heeft appellant niet onderbouwd dat zorg in de vorm van een pgb voor hem noodzakelijk is. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.3.
De toekenning van de CIZ-indicatie vermeldt dat de voorkeur van de aanvrager een pgb is. Hieruit volgt echter niet dat appellant slechts is aangewezen op een pgb dan wel dat hiernaar onderzoek is gedaan. Uit de aanvraag volgt dit ook niet. Hierin is alleen vermeld dat hij gaat wonen in een kleinschalige woonvoorziening.
4.4.4.
Het (individueel) ondersteuningsplan van [naam stichting] vermeldt de levensgeschiedenis van appellant, zijn welbevinden en bepaalde afspraken. Hierin is niet vermeld dat appellant is aangewezen op een kleinschalige woonvoorziening en ook niet of is onderzocht of appellant naar een ZIN-instelling kon.
4.4.5.
In de verklaring van de pleegouders is vermeld dat appellant constant sturing nodig heeft, zijn woedeaanvallen in het [naam instelling] zijn verminderd en hij nu goed is aan te sturen en appellant vertrouwen heeft in de mensen die er werken, wat lange tijd heeft geduurd. De pleegouders wonen op loopafstand van het [naam instelling] en zijn voor appellant en de begeleiding altijd direct bereikbaar. Zij stellen dat het [naam instelling] de allerbeste oplossing voor appellant is. De verklaring van de bewindvoerder geeft informatie weer die het [naam instelling] haar telefonisch heeft medegedeeld. Hierin is vermeld dat het [naam instelling] voor appellant de best passende woon/zorg-combinatie is, omdat daar kleinschalig wonen wordt aangeboden, met veel persoonlijke aandacht, een zeer vast dag- en weekritme en vaste aanspreekpunten. De zorgverleners zijn altijd aanwezig en binnen de personeelsbezetting is zeer weinig verloop. Er zijn instellingen in de omgeving die ook kleinschalig wonen aanbieden, maar waar gewerkt wordt met ZZP’ers als personeel en waar het verloop van het personeel veel groter is. De betrokkenheid en persoonlijke aandacht met altijd aanwezige, vaste aanspreekpunten in het [naam instelling] zorgt voor vertrouwen en rust waardoor appellant het beste kan functioneren. De verwachtingen zijn duidelijk en de dagen voorspelbaar. Hier vaart appellant vanwege zijn beperkingen het beste op. Uit deze verklaringen van de pleegouders en de bewindvoerder blijkt weliswaar dat het [naam instelling] voor hem een passende plek is, maar hieruit volgt niet dat de benodigde begeleiding niet via ZIN plaats zou kunnen vinden. Appellant heeft hiermee ook niet duidelijk gemaakt welke concrete pogingen hij heeft ondernomen om ZIN te verkrijgen bij andere instellingen en wat daarvan de resultaten zijn geweest.
4.4.6.
De stelling ter zitting dat in 2014 onderzoek is gedaan naar andere oplossingsmogelijkheden dan begeleiding die wordt ingekocht met een pgb bij het [naam instelling] , blijkt niet uit de hiervoor genoemde stukken en heeft appellant ook niet met andere controleerbare gegevens onderbouwd. Dit had in het kader van zijn aanvraag om bijzondere bijstand wel op zijn weg gelegen.
4.4.7.
Appellant heeft zijn stelling dat zorg in de vorm van een pgb voor hem noodzakelijk is, in hoger beroep verder niet nader met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd, ondanks dat hem met de oproepbrief voor de zitting expliciet de mogelijkheid daartoe is geboden.
4.5.
Uit 4.4.1 tot en met 4.4.7 volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat ZIN voor hem niet mogelijk was en dat hij was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Gelet op het voorgaande ziet de Raad ook geen aanleiding een deskundige te benoemen, zoals appellant heeft verzocht. Er is dan ook geen sprake van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op de gevraagde bijzondere bijstand.

Conclusie en gevolgen

5. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken 1 en 2 worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzingen van de bijzondere bijstand voor de kosten van het pgb-beheer over 2023 en 2024 in stand blijven.
6. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) S. Ploum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel

Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt van de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1654.