Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
23/2147 PW-S
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke bijstandszaak

Verzoekers hadden bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder tot intrekking van bijstand en terugvordering van kosten over de periode 2016-2020. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de rechtbank, werd hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

De procedure duurde vanaf het bezwaar op 31 december 2021 tot de intrekking van het hoger beroep op 30 maart 2026 ruim vier jaar en drie maanden, waarmee de redelijke termijn in de rechterlijke fase werd overschreden. De Raad oordeelde dat een vergoeding van €500 passend is voor deze termijnoverschrijding.

Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van verzoekers voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, begroot op €467. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 april 2026.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding en €467 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/2147 PW-S
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), beiden te [verzoekster]
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 28 april 2026

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 9 december 2021 heeft het college de bijstand van verzoekers over de periode van 5 februari 2016 tot 20 augustus 2020 ingetrokken. Met een besluit van 13 december 2021 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 21 augustus 2018 tot 20 augustus 2020 tot een bedrag van € 40.052,53 van verzoekers teruggevorderd. Met een besluit van 4 april 2022 heeft het college de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 9 en 13 december 2021 ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank Noord-Holland bij uitspraak van 16 juni 2023, 22/2320, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft mr. R.N. van der Ham, advocaat, namens verzoekers hoger beroep ingesteld.
Verzoekers hebben nadere stukken ingediend. Hiernaast hebben zij verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Bij brief van 30 maart 2026 heeft mr. Van der Ham namens verzoekers het hoger beroep ingetrokken omdat partijen een schikking hebben bereikt en meegedeeld dat de op 31 maart 2026 geplande zitting bij de Raad daarom geen doorgang behoeft te vinden. Wel willen verzoekers nog een uitspraak van de Raad op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, inclusief een proceskostenveroordeling in verband met dit verzoek.

OVERWEGINGEN

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
1.1.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. [1]
1.2.
In het geval van verzoekers geldt dat vanaf het maken van bezwaar op 31 december 2021 tot aan de intrekking van het hoger beroep op 30 maart 2026, vier jaar en (afgerond) drie maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van verzoekers zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan verzoekers zal daarom een schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.
Proceskostenveroordeling
1.3.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekers in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoekers van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter, C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) R.R. Olde Engberink

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.