Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:549

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/162 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWArt. 29 ZWArt. 7:629 BWArt. 31 ZWArt. 49 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling benadelingshandeling bij weigering ZW-uitkering na ontslag wegens vertrouwensbreuk

Appellant werd op staande voet ontslagen wegens een vertrouwensbreuk en meldde zich ziek. Hij voerde civielrechtelijke procedures tegen het ontslag, waarbij hij berustte in het ontslag en geen herstel van de dienstbetrekking vorderde. Het UWV weigerde daarop de ZW-uitkering wegens een benadelingshandeling, omdat appellant zonder deugdelijke grond geen verweer voerde tegen het ontslag.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat appellant dit in overwegende mate kon worden verweten. De rechtbank bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moest nemen. Appellant stelde dat de maatregel niet per 8 oktober 2021, maar pas per 14 maart 2022 kon ingaan, omdat hij zich toen voor het eerst neerlegde bij het ontslag.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een benadelingshandeling omdat appellant zijn recht op loon prijsgaf terwijl hij al ziek was. De Raad verwierp het betoog over de ingangsdatum en oordeelde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen met een betere motivering over de mate van verwijtbaarheid. Het hoger beroep van appellant werd afgewezen en het beroep tegen de nieuwe beslissing kan alleen bij de Raad worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met betere motivering over verwijtbaarheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/162 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 december 2024, 22/1787 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[naam B.V.] te [vestigingsplaats] ( [naam B.V.] )
Datum uitspraak: 7 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht per 8 oktober 2021 aan appellant een maatregel heeft opgelegd om de ZW-uitkering niet uit te betalen, omdat appellant een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW heeft gepleegd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. [naam B.V.] heeft als belanghebbende aan de procedure deelgenomen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] door middel van beeldbellen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. Namens [naam B.V.] is niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is op [datum] 1991 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) [naam B.V.] . Appellant was werkzaam als technisch specialist voor 27 uur per week. Daarnaast verrichtte appellant werkzaamheden voor zijn eigen onderneming. Op 13 juli 2021 heeft appellant zich ziekgemeld voor zijn werk bij [naam B.V.] . Op 8 oktober 2021 is appellant op staande voet ontslagen vanwege een vertrouwensbreuk.
1.2.
Appellant heeft tegen dit ontslag civielrechtelijke procedures gevoerd. Hij heeft bij de kantonrechter en bij het gerechtshof berust in het ontslag en verzocht om [naam B.V.] te veroordelen tot betaling van verschillende vergoedingen. Appellant heeft niet verzocht om herstel van de dienstbetrekking. Bij beschikking van 20 april 2023 heeft het gerechtshof ’sHertogenbosch (zaaknummer 200.311.732/01) de beschikking van de kantonrechter van 14 maart 2022 bekrachtigd. Hierbij is onder meer geoordeeld dat er geen dringende reden was om appellant op staande voet te ontslaan en dat slechts een (relatief) bescheiden bedrag aan billijke vergoeding toewijsbaar is.
1.3.
Op 12 april 2022 heeft [naam B.V.] , als eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW), het Uwv gevraagd om een besluit over de ZW-uitkering van appellant te nemen, op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Volgens [naam B.V.] heeft appellant zonder deugdelijke grond nagelaten om verweer te voeren tegen de beëindiging van zijn dienstbetrekking in de periode waarin hij recht had op loon tijdens ziekte. Bij besluit van 28 april 2022 heeft het Uwv het ziekengeld geheel en blijvend geweigerd, omdat appellant er niet alles aan heeft gedaan om (zo lang mogelijk) loon van [naam B.V.] te krijgen.
1.4.
Bij besluit van 4 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2022 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant zonder deugdelijke grond heeft nagelaten om (verder) verweer te voeren tegen de beëindiging van zijn dienstbetrekking in de periode waarin hij recht had op loon tijdens ziekte. Daarmee heeft hij een benadelingshandeling gepleegd. Het Uwv heeft daarom het ziekengeld per 8 oktober 2021 geheel en blijvend geweigerd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het Uwv opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en de proceskosten en het griffierecht te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, als volgt overwogen.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het bestreden besluit blijkt waarom het ziekengeld geheel en blijvend is geweigerd, namelijk omdat appellant zonder deugdelijke grond heeft nagelaten (verder) verweer te voeren tegen de beëindiging van het dienstverband in de periode dat hij recht had op loon tijdens ziekte, zodat sprake is van een benadelingshandeling.
2.2.
Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege medische redenen heeft berust in het ontslag. Dat maakt, kort samengevat, niet dat de conclusie van het Uwv dat appellant verwijtbaar een benadelinghandeling heeft gepleegd juist is. Het Uwv moet de maatregel afstemmen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat alle relevante feiten en omstandigheden zijn betrokken en in redelijkheid tegen elkaar zijn afgewogen. Uit de beschikking van het hof blijkt namelijk dat [naam B.V.] appellant onjuist en onheus heeft behandeld. Daarnaast zijn er verklaringen van appellant ter zitting over de gang van zaken na het ontslag, waaronder dat uit de gevoerde gesprekken in het mediationtraject overduidelijk bleek dat [naam B.V.] appellant niet meer terug in dienst wilde. Dit is onweersproken gebleven. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, het Uwv appellant niet in overwegende mate heeft kunnen aanrekenen, dan wel in overwegende mate heeft kunnen verwijten dat appellant in de civiele procedures niet herstel van zijn dienstbetrekking heeft gevorderd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat als appellant in de civiele procedure het terugdraaien van het ontslag zou hebben gevorderd, dit tot gevolg zou hebben gehad, dat hij aanspraak zou hebben kunnen maken op loon van [naam B.V.] . Nu hoeft eigenrisicodrager [naam B.V.] ziekengeld noch loon uit te betalen.
2.3.
Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht 8 oktober 2021 als ingangsdatum voor de opgelegde maatregel heeft genomen. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de dienstbetrekking van appellant op 8 oktober 2021 is beëindigd en dat hij met ingang van die datum ziek uit dienst is getreden. Het is inherent aan het aanvechten van een ontslag dat dit pas kan na het ontslag. Dit betekent niet dat dan ook pas vanaf die latere datum een maatregel kan worden opgelegd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Ten onrechte heeft de rechtbank de ingangsdatum van de maatregel per 8 oktober 2021 bevestigd. Tot in ieder geval 14 maart 2022 (datum van de beschikking van de kantonrechter) kan volgens appellant geen maatregel worden opgelegd. Appellant heeft namelijk pas bij de zitting van de kantonrechter verklaard te berusten in zijn ontslag. Dit is de eerste datum waarop hem dit verwijt kan worden gemaakt. [naam B.V.] heeft in de periode vanaf oktober 2021 tot aan de zitting in maart 2022 geen verzuimbegeleiding geboden. De gevolgen van het zich niet houden aan de Wet verbetering poortwachter en het pas later doorgeven van ziekte aan het Uwv moeten niet ten nadele van appellant worden uitgelegd. Ook heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts het beoordelingskader bij de medische beoordeling van de verwijtbaarheid niet juist heeft toegepast. Van appellant mocht niet worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden daar moest blijven werken. Het berusten in de beëindiging van het dienstverband is gezien de omstandigheden waarin appellant ten tijde van de zitting in maart 2022 verkeerde niet verwijtbaar.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht een maatregel wegens een benadelingshandeling aan appellant is opgelegd. Verder heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant op 8 oktober 2021 op staande voet is ontslagen en vanaf dat moment geen ziekengeld van [naam B.V.] heeft ontvangen. Op grond van artikel 9 van Pro de Beleidsregel maatregelen UWV, wordt een maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende betaling. Het is inherent aan het aanvechten van een ontslag dat pas achteraf een beoordeling kan plaatsvinden.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
In artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW is bepaald dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid en 49. In het tweede lid van artikel 45 van Pro de ZW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Op grond van het zevende lid van artikel 45 van Pro de ZW wordt onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak [1] is er sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loondoorbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek (oud), ter vervanging waarvan nu ziekengeld wordt gevraagd. Zodoende doet een werknemer onnodig een beroep op de ZW.
5.3.
Deze situatie is hier aan de orde. Door in de civiele procedures te kiezen voor het vorderen van schadevergoeding in plaats van het aanvechten van het aan hem gegeven ontslag, heeft appellant zich neergelegd bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking. De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat appellant een benadelingshandeling in de zin van bedoeld artikellid heeft gepleegd.
5.4.
De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank over de ingangsdatum van de maatregel per 8 oktober 2021 en maakt de overwegingen waarop dit oordeel berust tot de zijne. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.
5.5.
De Raad begrijpt het standpunt van appellant over de ingangsdatum van de maatregel zo dat hij vindt dat eerst per 14 maart 2022 sprake kan zijn van een benadelingshandeling, omdat appellant zich niet eerder dan die datum zou hebben neergelegd bij de beëindiging van het dienstverband. Dit betoog volgt de Raad niet. Door niet de nietigheid van het op 8 oktober 2021 gegeven ontslag op staande voet in te roepen heeft appellant uiteindelijk berust in het ontslag en zijn recht op loon prijs gegeven op een moment waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico – appellant was immers al vanaf 13 juli 2021 ziek – al was ingetreden.
5.6.
De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat het appellant niet in overwegende mate kan worden verweten dat hij in de civiele procedures niet heeft gevorderd om de dienstbetrekking te herstellen. Het bestreden besluit is daarom vernietigd en het Uwv is opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Het Uwv en [naam B.V.] hebben in dit oordeel berust. Ter zitting bij de Raad heeft het Uwv bevestigd nog geen besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, met daarin een nader standpunt over de (mate van) verwijtbaarheid, te hebben genomen. Dit betekent, zoals ook met partijen ter zitting is besproken, dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling van hetgeen appellant, reeds nu, over de (mate van) verwijtbaarheid heeft aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Het Uwv zal uitvoering moeten geven aan de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- bepaalt dat beroep tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1903.