ECLI:NL:CRVB:2026:549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling benadelingshandeling bij weigering ZW-uitkering na ontslag wegens vertrouwensbreuk
Appellant werd op staande voet ontslagen wegens een vertrouwensbreuk en meldde zich ziek. Hij voerde civielrechtelijke procedures tegen het ontslag, waarbij hij berustte in het ontslag en geen herstel van de dienstbetrekking vorderde. Het UWV weigerde daarop de ZW-uitkering wegens een benadelingshandeling, omdat appellant zonder deugdelijke grond geen verweer voerde tegen het ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat appellant dit in overwegende mate kon worden verweten. De rechtbank bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moest nemen. Appellant stelde dat de maatregel niet per 8 oktober 2021, maar pas per 14 maart 2022 kon ingaan, omdat hij zich toen voor het eerst neerlegde bij het ontslag.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een benadelingshandeling omdat appellant zijn recht op loon prijsgaf terwijl hij al ziek was. De Raad verwierp het betoog over de ingangsdatum en oordeelde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen met een betere motivering over de mate van verwijtbaarheid. Het hoger beroep van appellant werd afgewezen en het beroep tegen de nieuwe beslissing kan alleen bij de Raad worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met betere motivering over verwijtbaarheid.