ECLI:NL:CRVB:2026:549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling benadelingshandeling bij weigering ZW-uitkering na ontslag wegens vertrouwensbreuk
Appellant werd op staande voet ontslagen wegens vertrouwensbreuk en kreeg vervolgens een maatregel opgelegd door het UWV om de ZW-uitkering te weigeren wegens een benadelingshandeling. Appellant had in civiele procedures niet om herstel van de dienstbetrekking verzocht, maar slechts om vergoedingen. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat appellant dit in overwegende mate kon worden verweten en vernietigde het besluit.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat sprake is van een benadelingshandeling omdat appellant zijn recht op loon prijsgaf terwijl het arbeidsongeschiktheidsrisico al was ingetreden. De Raad onderschrijft de ingangsdatum van de maatregel per 8 oktober 2021, de datum van het ontslag. Wel wordt bevestigd dat het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen waarin de mate van verwijtbaarheid zorgvuldig wordt afgewogen.
De Raad wijst het hoger beroep van appellant af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten. Het UWV moet een nieuwe beslissing nemen en daarbij rekening houden met alle relevante feiten en omstandigheden. Tegen deze nieuwe beslissing kan alleen bij de Raad beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met een betere motivering over verwijtbaarheid.