Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:555

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/644 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a:1, vierde lid, WajongArt. 4, derde lid, Wet WIAArt. 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep herroept weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing duurzaamheid arbeidsvermogen

Appellante, geboren in 2005, diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering wegens meerdere aandoeningen waaronder ASS en Ehler Danlos Syndroom. Het UWV concludeerde dat zij geen arbeidsvermogen had, maar dat dit niet duurzaam was, en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde het besluit.

In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar fysieke beperkbaarheid progressief en duurzaam was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd waarom het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam zou zijn, met name omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich onvoldoende had gebaseerd op medische informatie over de ASS en de fysieke achteruitgang.

De Raad concludeerde dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellante duurzaam is en dat zij daarom recht heeft op een Wajong-uitkering vanaf haar achttiende verjaardag. Tevens werd het UWV veroordeeld tot het betalen van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en appellante krijgt met ingang van haar achttiende verjaardag recht op een Wajong-uitkering.

Uitspraak

25/644 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2025, 23/2380 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2023 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv appellante ten onrechte niet als jonggehandicapte heeft aangemerkt.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.E. Fleurkens hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fleurkens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2005, heeft met een door het Uwv op 26 maart 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante lijdt aan een autismespectrumstoornis (ASS), hypermobiliteit als gevolg van het Ehler Danlos Syndroom (hEDS), complex regionaal pijnsyndroom, astma en livedo reticularis. Bij de aanvraag is onder meer informatie gevoegd van een revalidatiearts, klinisch geneticus, orthopedagoog en kinderarts. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 11 mei 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 13 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Dat appellante niet is gezien door een verzekeringsarts, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. Appellante heeft er zelf in bezwaar voor gekozen geen hoorzitting bij te wonen. Ze heeft in bezwaar nog wel relevante medische stukken verstrekt. Verder heeft in de primaire fase wel een fysiek spreekuur plaatsgevonden met een arts. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 22 augustus 2023 gemotiveerd dat het onderzoek door deze arts voldoende duidelijk was. Aanvullend fysiek onderzoek was daarom niet nodig, ook omdat er voldoende medische gegevens voorhanden waren. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennisgenomen van de in beroep overgelegde informatie. De rechtbank is verder niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat appellante fysieke beperkingen heeft, maar dat er op het gebied van het mentale beeld/coping nog winst valt te behalen. Een multidisciplinair traject wordt geadviseerd. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de informatie in beroep van de orthopeed van 23 juli 2024 en van de fysio-/manueel therapeut van 6 januari 2025 geen ander beeld laat zien van de belastbaarheid van appellante. Het Uwv heeft daarmee voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er op de datum in geding weliswaar geen sprake was van arbeidsvermogen, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Appellante heeft in de primaire fase een spreekuur gehad met een basisarts, geen verzekeringsarts. Daarbij is zij niet lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen spreekuur gehouden en onvoldoende gemotiveerd waarom hiervan is afgezien. Appellante heeft alleen afgezien om te worden gehoord, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aanwezig zou zijn. Verder heeft appellante duurzaam geen arbeidsvermogen. Ze lijdt aan hEDS, een progressieve aandoening. Haar belastbaarheid is de afgelopen jaren vooral afgenomen, waardoor ze steeds meer rolstoelgebonden is geworden. Het ziektebeeld is chronisch en behandelaren verwachten dat haar belastbaarheid alleen maar zal afnemen. De behandelingen die ze volgt zijn enkel gericht op het onderhouden en behouden van haar functioneren. Appellante is meermalen afgewezen bij de intake voor een multidisciplinair traject of psychische behandeling.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.2.
Niet in geschil is dat appellante op [geboortedatum] 2023 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft, omdat zij niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet WIA [3] kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [4]
5.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.5.1.
De Raad is van oordeel dat het Uwv zijn standpunt over de duurzaamheid van het ontbreken van het arbeidsvermogen bij appellante onvoldoende heeft onderbouwd. Hiertoe overweegt de Raad als volgt.
5.5.2.
Bij appellante is sprake van meervoudige problematiek, bestaande uit zowel fysieke klachten als ASS. De primaire arts heeft overwogen dat appellante slechts twee uur per dag belastbaar is, verdeeld over de dag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich bij dit oordeel aangesloten. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat niet in geschil is dat de oorzaak hiervan gelegen is in de fysieke klachten van appellante. Verder is evenmin in geschil dat de fysieke prestatie van appellante langzaam achteruitgaat, zoals onder meer volgt uit de brief van de orthopedisch chirurg van 28 februari 2024.
5.5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich bij het beoordelen van de duurzaamheid van het ontbreken van het arbeidsvermogen voornamelijk gericht op de psychische problematiek. De behandelopties zien volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het mentale beeld en coping. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij overwogen dat verbetering van ASS niet is uitgesloten, omdat uit het verzekeringsgeneeskundig protocol ontwikkelingsstoornissen blijkt dat alleen al als gevolg van hersenrijping bij het ouder worden symptomen kunnen afnemen. Daarnaast is sprake van een aantal gunstige factoren, zoals het ontbreken van andere psychiatrische comorbiditeit en slechts een iets verlaagde intelligentie.
5.5.4.
Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij deze beoordeling gebruik heeft gemaakt van de medische informatie van de behandelaren van appellante over haar ASS. Het voornaamste argument tegen het aannemen van duurzaamheid op dat vlak is de leeftijd appellante. Verder heeft de verzekeringsarts bewaar en beroep niet inzichtelijk gemotiveerd waarom door het verbeteren van het mentale beeld niet is uitgesloten dat de belastbaarheid van appellante wordt vergroot, die juist beperkt is vanwege de fysieke klachten. Dat mentale aspecten in de weg staan aan verbetering van de belastbaarheid, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep lijkt te veronderstellen, wordt niet ondersteund door de medische informatie. De enkele opmerking over ‘wellicht vermijding als copingstijl’ uit de brief van de kinderarts van 20 maart 2023 is hiervoor onvoldoende. In het licht van de langzaam verslechterende fysieke problematiek van appellante en het ontbreken van een deugdelijke en op appellante toegespitste motivering inzake de psychische klachten, is de Raad van oordeel dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan.
5.5.
Nu het Uwv zijn standpunt dat het arbeidsvermogen bij appellante niet duurzaam ontbreekt, niet heeft kunnen onderbouwen, gaat de Raad ervan uit dat het ontbreken van arbeidsvermogen in het geval van appellante op [geboortedatum] 2023 duurzaam is te achten. Daarmee voldeed appellante op [geboortedatum] 2023 aan de voorwaarden voor een Wajonguitkering op grond van artikel 1a:1 van de Wajong.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 11 mei 2023 te herroepen en te bepalen dat appellante met ingang van [geboortedatum] 2023 recht heeft op een Wajong-uitkering.
5.8.
Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen Wajong-uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [5]
6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). De reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep komen tot een bedrag van € 62,70 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking. In totaal is dit een bedrag van € 3.798,70. Tevens dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 september 2023;
  • herroept het besluit van 11 mei 2023 en bepaalt dat appellante met ingang van [geboortedatum] 2023 recht heeft op een Wajong-uitkering;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 13 september 2023;
  • veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 5.8 is vermeld;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.798,70;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 183,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
3.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.
5.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.