Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:566

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/45 BESLU
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige besluiten UWV

Appellant vorderde schadevergoeding van het UWV wegens drie besluiten die volgens hem onrechtmatig waren, waardoor hij geldschulden, belastingschade en geestelijk letsel zou hebben geleden. Na mediation werden de besluiten ingetrokken en een vaststellingsovereenkomst gesloten, maar het verzoek om schadevergoeding werd door het UWV afgewezen en deze afwijzing werd door de rechtbank bevestigd.

De rechtbank oordeelde dat de onrechtmatigheid van de besluiten niet vaststaat en dat de gestelde materiële schade niet het gevolg kan zijn van de besluiten, mede omdat appellant geen bezwaar maakte tegen het voorschotbesluit. Belastingschade werd niet concreet onderbouwd en immateriële schade werd niet toegerekend aan de besluiten, mede gelet op medische verklaringen die andere oorzaken aanwijzen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de onrechtmatigheid wel vaststaat en dat ook immateriële schadevergoeding mogelijk is wegens aantasting van zijn eer en goede naam, onder meer door een intimidatie bij een verhoor. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade het gevolg is van de besluiten en bevestigde de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige besluiten van het UWV wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

25/45 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 november 2024, 23/235 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een afwijzing van een verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade. Appellant stelt dat hij vanwege drie beweerdelijk onrechtmatige besluiten van het Uwv geldschulden heeft moeten maken, en belastingschade en geestelijk letsel heeft geleden. De Raad komt niet toe aan de beoordeling van de rechtmatigheid van deze besluiten, reeds omdat de schadeposten die appellant heeft gesteld niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het verzoek om schadevergoeding is dan ook terecht afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 maart 2026. Namens appellant is mr. Schyns verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1996 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Van 1 juni 2018 tot 1 april 2020 is de Wajong-uitkering niet tot uitbetaling gekomen vanwege de verdiensten van appellant als bestuurder van een Stichting. Op [datum] 2020 is de Stichting in staat van faillissement verklaard. Op 26 februari 2020 heeft appellant een aanvraag om overname van de betalingsverplichtingen van zijn betalingsonmachtige werkgever ingediend, dat na onderzoek naar de verzekeringsplicht van appellant door het Uwv is afgewezen. Op 11 maart 2020 heeft appellant op een wijzigingsformulier aangegeven dat hij met terugwerkende kracht uitbetaling van zijn Wajong-uitkering wenst. Bij besluit van 24 maart 2020 is appellant meegedeeld dat hij vanaf 1 april 2020 een voorschot op zijn Wajonguitkering krijgt. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld.
1.2.
Bij besluit van 22 december 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 mei 2018 ten onrechte Wajong-uitkering heeft ontvangen en is in verband hiermee een bedrag van € 25.585,85 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 15 februari 2022 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat over de periode van 1 september 2019 tot en met 13 januari 2020 geen Wajong-uitkering aan hem wordt betaald. Bij besluit van 21 februari 2022 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over de periode van [datum] 2020 tot 1 april 2020 recht heeft op een nabetaling van de Wajong-uitkering van € 3.261,43 bruto, maar dat die nabetaling verrekend wordt met de terugvordering. Appellant heeft tegen de besluiten van 22 december 2021, 15 februari 2022 en 21 februari 2022 (de drie besluiten) bezwaar gemaakt, waarna mediation is gevolgd. Op 28 juli 2022 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is overeengekomen dat de terugvordering in het besluit van 22 december 2021 komt te vervallen, dat appellant vanaf 1 september 2019 recht heeft op Wajong-uitkering en dat de verrekening in het besluit van 21 februari 2022 komt te vervallen. Daarnaast is overeengekomen dat het Uwv de wettelijke rente zal vergoeden, dat appellant recht heeft op een proceskostenvergoeding en dat appellant de bezwaren tegen de drie besluiten intrekt.
1.3.
Op 14 oktober 2022 heeft appellant een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het Uwv. Appellant heeft daarbij gesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen van het Uwv omdat de drie besluiten zijn komen te vervallen. Appellant heeft materiële schade gevorderd van € 10.000,- aan geldschulden die appellant heeft moeten maken doordat hij geruime tijd geen Wajong-uitkering heeft gehad. Daarnaast heeft appellant verzocht om schadevergoeding doordat hij door de nabetaling van de Wajong-uitkering meer loonheffing heeft moeten betalen dan wanneer het Uwv zijn maandelijkse betalingsverplichting correct was nagekomen. Ten derde heeft appellant een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade gevorderd, omdat hij ongeveer drie jaar een juridische strijd heeft moeten voeren met het Uwv om zijn gelijk te halen. Bij brief van 25 november 2022 heeft appellant het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding verhoogd naar € 25.000,-.
1.4.
Bij besluit van 7 december 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het feit dat er een vaststellingovereenkomst is gesloten niet betekent dat het Uwv onrechtmatig jegens appellant heeft gehandeld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat met het niet handhaven van de drie besluiten na mediation, de onrechtmatigheid van die besluiten nog niet vaststaat. De reden waarom het Uwv van de drie besluiten is teruggekomen is namelijk onbekend, wat bij mediation vaak het geval is, en het Uwv heeft ook anderszins de onrechtmatigheid van de drie besluiten niet erkend. Dit betekent in beginsel dat de rechtbank zich hierover een oordeel zou moeten vormen. De rechtbank heeft daar vanaf gezien, omdat zij van oordeel is dat, ook al zouden de drie besluiten als onrechtmatig moeten worden aangemerkt, de gevorderde schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt. Wat betreft het gevorderde bedrag van € 10.000,- is ter zitting vastgesteld dat het gaat om geldschulden die appellant heeft gemaakt in de periode van 1 september 2019 tot en met maart 2020. Daarop heeft het besluit van 15 februari 2022, waarbij is beslist geen Wajong-uitkering uit te betalen over de periode van 1 september 2019 tot en met 13 januari 2020, betrekking. De gestelde schade kan echter geen gevolg zijn geweest van dit besluit, omdat appellant pas op 12 maart 2020 bij het Uwv een wijzigingsformulier heeft ingediend met het verzoek om hem met terugwerkende kracht weer een Wajong-uitkering toe te kennen. Met een besluit van 24 maart 2020 heeft het Uwv beslist op dit verzoek en is appellant per 1 april 2020, niet met terugwerkende kracht, een voorschot toegekend. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtmatigheid daarvan vaststaat. Dat appellant nadien nog meerdere keren heeft verzocht om uitbetaling van Wajong-uitkering per 1 september 2019, waarop dan uiteindelijk is besloten bij besluit van 15 februari 2022, maakt niet dat de schulden die op dat moment al lang daarvoor zijn gemaakt, aangemerkt kunnen worden als een gevolg van dat besluit of de lange duur voordat het besluit is genomen. De gestelde schade doordat appellant door de nabetaling van de Wajong-uitkering meer loonheffing heeft moeten betalen, heeft de rechtbank aangemerkt als belastingschade. De rechtbank heeft niet uitgesloten dat appellant belastingschade heeft geleden door de nabetaling van de Wajong-uitkering. Van een concreet en onderbouwd verzoek, waarbij een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade wordt verstrekt, [1] is echter geen sprake. Niet is verder gebleken dat appellant de Belastingdienst heeft verzocht om middeling of om de uitsmeerregeling toe te passen op grond waarvan de omvang van de schade kan verminderen of zelfs tot nihil kan worden teruggebracht. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen gronden aanwezig de gestelde belastingschade te vergoeden. Wat betreft de verzochte immateriële schade, heeft de rechtbank vooropgesteld dat zij zich kan voorstellen dat appellant door de verschillende procedures waarin hij vanaf 2020 verwikkeld is geraakt met het Uwv, gefrustreerd en boos is. Ook wenst de rechtbank met haar oordeel niet af te doen aan de lichamelijke en psychische klachten die appellant heeft ervaren en nog steeds ervaart. Het is echter aan de rechtbank om te beoordelen of de drie besluiten ‘aantasting in de persoon’ tot gevolg hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Uit het huisartsjournaal blijkt dat appellant zich op 13 april 2021 tot zijn huisarts heeft gewend met spanningsklachten met slaapproblemen tot gevolg. De huisarts heeft appellant hiervoor medicatie voorgeschreven en hem verwezen naar een psycholoog. Als oorzaak van de spanningsklachten worden echter het faillissement van de Stichting en een ongeluk dat appellant in 2015 is overkomen, genoemd en niet de problemen met het Uwv. In de daarop volgende maand worden op 12 mei en 25 mei 2021 twee consulten vermeld, waarin de psychische klachten meer uitgebreid worden beschreven en met name het ongeluk in 2015 als traumatische ervaring wordt genoemd. Daarnaast wordt benoemd dat appellant weinig tot geen steun ondervindt en dat iedereen hem laat vallen, waarbij de politie als zodanig wordt genoemd. Het volgende consult dat wordt beschreven vindt plaats op 16 februari 2022, waarin problemen met het Uwv wel worden genoemd. Ook blijkt dat appellant op dat moment al antidepressiva slikt. De rechtbank is van oordeel dat als er in 2021 en begin 2022 al sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, dit niet of niet in overwegende mate kan worden toegeschreven aan de drie besluiten. Uit de betrokken passages uit het journaal van de huisarts blijkt dat appellant in die periode psychisch veel last had van een ongeluk dat hem in 2015 is overkomen en het faillissement van de Stichting. Daarbij komt dat appellant in de genoemde periode ook andere dan de betreffende drie besluiten van het Uwv heeft ontvangen, te weten het besluit van 13 januari 2021, waarbij zijn bezwaren ongegrond zijn verklaard tegen de weigering van een uitkering wegens betalingsonmacht, de besluiten van 9 september 2021 inzake de weigering zijn Wajong-uitkering te verhogen en het besluit van 9 februari 2022, waarbij de bezwaren van appellant tegen deze weigering ongegrond zijn verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het oordeel van de rechtbank dat met het niet handhaven van de besluiten na mediation de onrechtmatigheid van de drie besluiten niet is komen vast te staan, is volgens appellant onjuist. Hij handhaaft dan ook zijn standpunt dat hij als gevolg van deze onrechtmatige besluiten materiële schade heeft geleden, omdat hij geldschulden heeft moeten maken doordat hem een tijd lang een Wajong-uitkering is onthouden. In dit verband heeft appellant gesteld dat schade ook voor vergoeding in aanmerking kan komen als deze het gevolg is van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wat betreft de belastingschade heeft appellant aangevoerd dat het aan Uwv is om ervoor te zorgen dat deze schade aan hem wordt vergoed, omdat appellant geen fiscale kennis heeft. Appellant heeft tot slot ook recht op een immateriële schadevergoeding. De rechtbank heeft miskend dat deze schadevergoeding ook aan de orde is als sprake is van het geschaad zijn in eer of goede naam. Dat is in het geval van appellant van toepassing, omdat hij door het Uwv verdacht werd van fraude en op 16 juli 2020 als verdachte is gehoord, wat appellant als zeer intimiderend en vernederend heeft ervaren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een verklaring van maart 2026 van [naam] ingebracht, mede oprichter van de Stichting.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn voor een groot deel een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Desgevraagd is ter zitting namens appellant erkend dat de gestelde materiële schade niet het gevolg is van de drie besluiten, die na mediation door het Uwv niet langer zijn gehandhaafd. Aanvullend is namens appellant ter zitting naar voren gebracht dat appellant al in september 2019 mondeling aan het Uwv heeft gevraagd om zijn Wajong-uitkering weer uit te betalen. Voor zover appellant hiermee betoogt dat de gestelde materiële schade het gevolg is van het niet tijdig nemen van een beslissing op dit verzoek, slaagt dit betoog niet. Daargelaten de vraag of een aanvraag tot heropening van een uitkering mondeling kan worden ingediend, is in de gedingstukken nog anderszins een aanknopingspunt te vinden, dat een dergelijk verzoek is gedaan. De rechtbank heeft daarnaast terecht vastgesteld dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 24 maart 2020, waarbij hem vanaf 1 april 2020 (en niet zoals door hem gevraagd met terugwerkende kracht) maandelijkse voorschotten op zijn Wajong-uitkering zijn toegekend. Wat betreft de gestelde belastingschade wordt overwogen dat appellant ook in hoger beroep geen uitgewerkte opgave van deze schade heeft ingebracht. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat zijn eer of goede naam, dan wel zijn persoon op andere wijze zodanig is aangetast door de hier aan de orde zijnde besluitvorming, dat hij aanspraak zou kunnen maken op immateriële schadevergoeding. Meer in het bijzonder is van aantasting van de eer of goede naam in de vorm van aantasting van het gevoel van eigenwaarde, dan wel waardering die men bij anderen geniet, niet gebleken. De enkele omstandigheid dat door een bestuursorgaan onderzoek wordt verricht naar de rechtmatigheid van een uitkering, en dat op grond daarvan belastende besluiten worden genomen, brengt geen schade toe als hier aan de orde. Daartoe is van belang dat de rechtmatigheid van een arbeidsongeschiktheidsuitkering periodiek kan worden onderzocht, en dat dus aan het doen van onderzoek op zich geen defamerende betekenis kan worden toegekend. In het rapport van 16 juli 2020 van de directie Handhaving is bovendien expliciet vermeld dat aan appellant desgevraagd is medegedeeld dat hij niet als verdachte werd verhoord.
Conclusie en gevolgen
5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 6:106
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317.