ECLI:NL:CRVB:2026:58

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24/948 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van de IVA-uitkering met terugwerkende kracht en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak gaat het om de toekenning van een IVA-uitkering aan appellante met terugwerkende kracht per 18 november 2018. Appellante heeft op 18 november 2019 een WIA-uitkering aangevraagd, terwijl het Uwv heeft vastgesteld dat zij per 9 oktober 2009 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De Raad voor de Rechtspraak oordeelt dat het Uwv de IVA-uitkering terecht per 18 november 2018 heeft toegekend. Daarnaast is er een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met zeven maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2024, die het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaarde, wordt bevestigd. De Raad heeft de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en de proceskosten van appellante.

Uitspraak

24/948 WIA
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2024, 22/802 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht per 18 november 2018 (één jaar voor datum aanvraag) een IVA-uitkering aan appellante heeft toegekend. De Raad oordeelt dat het Uwv de IVA-uitkering terecht per 18 november 2018 aan appellante heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het Uwv te veroordelen in vergoeding van schade bestaande uit de wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 24/1765 ZW. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Op 5 februari 2025 heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en nadere stukken overgelegd. Appellante heeft hierop gereageerd. Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft bij brief van 12 augustus 2025 nadere vragen aan het Uwv gesteld. Het Uwv heeft hier bij brief van 28 augustus 2025 op gereageerd.
Bij brief van 7 november 2025 heeft appellante verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De behandeling van de zaak is voortgezet op een zitting van 20 november 2025. Namens appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dunselman en – daartoe ambtshalve opgeroepen – arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J. Emming. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 24/1765 ZW. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante werkte als schoonmaakster voor gemiddeld dertien uur per week. Op 7 april 2005 heeft zij zich ziekgemeld. Per einde wachttijd heeft een verzekeringsarts van het Uwv de arbeidsbeperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 13 februari 2007. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%, waarna het Uwv heeft geweigerd om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Vanaf 5 april 2007 ontving appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Appellante heeft zich per 22 juli 2008 ziekgemeld. Het Uwv heeft haar per 21 oktober 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een hersteldmelding in september 2009 heeft appellante zich op 9 oktober 2009 opnieuw ziekgemeld, waarna het Uwv de ZW-uitkering per 9 oktober 2009 heeft voortgezet. Bij brief van 3 juni 2010 heeft het Uwv de controle voor de ZW beëindigd omdat appellante per 2 juni 2010 hersteld is.
1.3.
Appellante heeft gesteld dat zij destijds geen besluit heeft ontvangen over de beëindiging van de ZW-uitkering en heeft op 4 februari 2022 het Uwv verzocht de ZW-uitkering alsnog uit te betalen. Bij besluit van 1 juli 2022 heeft het Uwv medegedeeld dat appellante per 1 juni 2010 niet (meer) arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW en is de ZW-uitkering per 1 juni 2010 beëindigd. Bij beslissing op bezwaar van 6 februari 2023 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 juli 2022 ongegrond verklaard. Het beroep daartegen heeft de rechtbank bij uitspraak van 12 juni 2024 ongegrond verklaard (zaaknummer 24/1765 ZW).
1.4.
Op 18 november 2019 heeft appellante een WIA-uitkering aangevraagd per einde wachttijd in 2010. Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellante de wachttijd niet zou hebben vervuld en op 2 juni 2010 hersteld is gemeld.
1.5.
Bij besluit van 7 januari 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv opgedragen om naar aanleiding van de WIA-aanvraag van 18 november 2019 alsnog te beoordelen of appellante toegenomen arbeidsongeschikt is uit dezelfde ziekteoorzaak ten opzichte van 5 april 2007 (datum weigering WIA-aanvraag).
1.7.
Bij besluit van 31 mei 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar alsnog gegrond verklaard, vastgesteld dat appellante per 9 oktober 2009 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en met terugwerkende kracht vanaf 18 november 2018 (één jaar voor datum aanvraag) een IVA-uitkering toegekend. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet eerder dan op 18 november 2019 sprake is van een WIA-aanvraag ter zake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De ziekmelding van 9 oktober 2009 kan niet worden aangemerkt als een impliciete Amber-aanvraag. Het Uwv stelt op aanvraag vast of recht op een WIA-uitkering ontstaat. Volgens vaste rechtspraak volgt uit de systematiek van de wet dat ook een beoordeling of toepassing van een Amber-bepaling plaatsvindt op aanvraag van een betrokkene. [1] Een dergelijke aanvraag kan niet impliciet worden gedaan, maar dient concreet te zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat in het dossier geen document valt aan te wijzen dat als een aanvraag kan worden aangemerkt. Een ziekmelding kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gelijkgesteld aan een WIAaanvraag, reeds omdat een ziekmelding doorgaans bij de werkgever wordt gedaan en een WIA-uitkering bij het Uwv wordt aangevraagd. Ook een mededeling van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) aan het Uwv kan niet als een WIA-aanvraag worden aangemerkt, alleen al omdat die niet door of namens appellante is gedaan. De rechtbank is daarom uitgegaan van 18 november 2019 als datum waarop appellante een WIA-uitkering heeft aangevraagd.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA, op grond waarvan de IVA-uitkering van appellante met ingang van een eerdere datum kan worden toegekend. Appellante heeft aangegeven dat zij de WIA-uitkering pas op 18 november 2019 heeft aangevraagd, omdat zij eerder niet wist dat zij daar recht op had. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellante niet eerder een WIA-uitkering kon aanvragen. De late aanvraag houdt geen verband met haar medische situatie. Dat de Svb appellante in 2017 voor ten minste 45% arbeidsongeschikt heeft geacht, geldt ook niet als een bijzondere omstandigheid, omdat ook hieruit niet blijkt dat bij appellante medische belemmeringen bestonden om eerder een aanvraag in te dienen. Ten overvloede heeft de rechtbank erop gewezen dat bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid bij een nabestaandenuitkering een ander arbeidsongeschiktheidscriterium geldt.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor wat betreft de ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 2. Appellante heeft aangevoerd dat de ziekmelding op 9 oktober 2009 tevens als Amber-verzoek had moeten worden behandeld. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat wel sprake is van een bijzonder geval, gelet op de ziekmelding van 9 oktober 2009. Daarbij komt de omstandigheid dat in 2017 door het Uwv aan de Svb te kennen is gegeven dat sprake is van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wat voor het Uwv reden had moeten zijn om na te gaan waarom appellante desondanks geen arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 2, over de toekenning van de IVA-uitkering met terugwerkende kracht per 18 november 2018, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.1.
In artikel 64, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv op aanvraag vaststelt of recht op een uitkering op grond van artikel 47 (een IVA-uitkering) ontstaat.
4.1.2.
Op grond van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA kan het recht op een uitkering op grond van deze wet niet worden vastgesteld over een periode gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
4.2.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv de ziekmelding van 9 oktober 2009 terecht niet als een zogeheten Amber-aanvraag heeft aangemerkt. Op grond van vaste rechtspraak [2] volgt uit artikel 64, eerste lid, van de Wet WIA dat het Uwv op aanvraag vaststelt of recht op een WIA-uitkering op grond van artikel 47 of artikel 54 ontstaat. Er zijn geen aanknopingspunten dat de ziekmelding op 9 oktober 2009 tevens als verzoek om een WIA-beoordeling had moeten worden aangemerkt. Het Uwv is er daarom terecht vanuit gegaan dat appellante niet eerder dan bij brief van 18 november 2019 om een nieuwe WIAbeoordeling heeft verzocht.
4.3.
Verder heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA, waardoor afgeweken zou moeten worden van de hoofdregel dat het recht op een uitkering niet eerder dan 52 weken voorafgaand aan de aanvraag kan ingaan.
4.3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad [3] is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA slechts sprake als een verzekerde wat de verlate aanvraag betreft redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Dat zal onder meer het geval zijn, indien het de verzekerde – mede als gevolg van zijn medische situatie – aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van zijn medische problematiek heeft ontbroken en hij om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag in te dienen. Op de verzekerde rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval.
4.3.2.
Appellante heeft niet onderbouwd dat zij wat de verlate aanvraag betreft redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Uit het feit dat appellante zich heeft ziekgemeld op 9 oktober 2009 volgt niet dat appellante niet in staat is geweest om een WIA-aanvraag in te dienen. Dit geldt eveneens voor de brief van de Svb van 23 oktober 2017. Daarin staat weliswaar dat appellante ten minste 45% arbeidsongeschikt wordt geacht, maar daaruit blijkt niet dat appellante niet in staat zou zijn geweest om een WIA-uitkering aan te vragen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet
.De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de toekenning van de IVA-uitkering met ingang van 18 november 2018 in stand blijft.
Schadevergoeding
6. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding schade in de vorm van wettelijke rente te vergoeden.
Het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
6.1.
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.
6.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [4] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
6.3.
Voor het voorliggende geval betekent dat het volgende. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift van appellante op 14 juli 2021 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en (afgerond) zeven maanden verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellante geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. De redelijke termijn is dus met zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-.
6.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 7 januari 2022 minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-.
Proceskosten en griffierecht
6.5.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
6.6.
In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding de Staat veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van dat verzoek. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente af;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-;
- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Raad van 30 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6829, en 17 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:648.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:648.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1216.
4.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.