Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2005 ziek en ontving diverse uitkeringen, waaronder Ziektewetuitkeringen. Na een ziekmelding in 2009 en een herstelmelding in 2010, vroeg zij pas in november 2019 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende haar een IVA-uitkering toe met terugwerkende kracht vanaf 18 november 2018, één jaar voor de aanvraagdatum.
Appellante stelde dat de ziekmelding van 9 oktober 2009 als een impliciete WIA-aanvraag (Amber-aanvraag) had moeten worden beschouwd en dat sprake was van een bijzonder geval waardoor de uitkering eerder had moeten ingaan. De rechtbank verwierp deze stellingen en verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat een ziekmelding niet gelijkstaat aan een WIA-aanvraag en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij redelijkerwijs niet eerder kon aanvragen. De Raad bevestigde de terugwerkende toekenning vanaf 18 november 2018.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De totale procedure duurde ruim vier jaar en zeven maanden, wat de redelijke termijn overschreed. De Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.000,- en de proceskosten van appellante ter zake van dit verzoek.