Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:647

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/933 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1a:1 WajongArtikel 4:6 Algemene wet bestuursrechtArtikel 6:19 Algemene wet bestuursrechtArtikel 1a:1, eerste lid, WajongArtikel 1a:1, vierde lid, Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen

Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan omdat zij op haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen zou hebben door autisme. Het Uwv weigerde de uitkering na medisch onderzoek, omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat er nog mogelijkheden tot verbetering waren door behandeling en begeleiding.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar situatie therapieresistent was en dat geen verbetering meer te verwachten was. Zij verwees naar medische rapporten die dit zouden bevestigen. De Raad oordeelde echter dat deze rapporten grotendeels gebaseerd waren op bevindingen na de datum in geding en dat het Uwv aannemelijk had gemaakt dat op de achttiende verjaardag van appellante nog perspectief op ontwikkeling bestond.

De Raad volgde het beoordelingskader van het Uwv en het Compendium Participatiewet, waarbij de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen wordt beoordeeld aan de hand van medische en arbeidsdeskundige criteria. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd omdat het ontbreken van arbeidsvermogen op de achttiende verjaardag van appellante niet duurzaam was.

Uitspraak

25/933 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 april 2025, 23/9641 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2022 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Klaassen heeft zich teruggetrokken als gemachtigde, waarna de moeder van appellante, [naam moeder] , zich als opvolgend gemachtigde heeft gesteld.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 april 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2004, heeft met een door het Uwv op 11 januari 2022 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat bij appellante sprake is van autisme. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 30 maart 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 14 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat [geboortedatum] 2022, de achttiende verjaardag van appellante, de datum in geding is. Uit de stukken blijkt dat appellante op dat moment nog onder behandeling was, waarbij ook recent was gestart met begeleiding aan huis. Het beleid zoals destijds voorgesteld door GGZ Breburg bestaat uit thuisbehandeling, inclusief psycho-educatie, externe begeleiding rondom dagbesteding en externe sensorische integratietherapie. Uit informatie van het Amphia ziekenhuis blijkt verder dat het beleid van de GGZ is om op termijn deeltijdbehandeling op te starten. De verzekeringsartsen hebben deze voorgestelde behandelingen betrokken bij het oordeel of er sprake is van duurzaamheid. Daarbij is betrokken dat ook bij een autismestoornis verdere ontwikkeling van het brein na het achttiende jaar mogelijk is. Ook is verbetering nog mogelijk door training, behandeling en begeleiding. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee toereikend heeft gemotiveerd dat nog geen eindresultaat was bereikt en er met de voorgestelde behandelingen nog verbetering mogelijk was. Er is daarom op [geboortedatum] 2022 nog geen sprake van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
2.1.
Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt volgens de rechtbank ook bevestigd door de door appellante zelf ingeschakelde verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort. Volgens deze verzekeringsarts zijn er mogelijkheden om tot meer autonomie en zelfstandigheid te komen. Appellante heeft zeker beperkingen, maar omdat zij nog in een behandeltraject zit, is wellicht op termijn verbetering haalbaar. Met name de bij autisme bijkomende angst-, stemmings- en vermoeidheidsklachten zijn volgens Van Amelsfoort te verbeteren door intensivering van de behandeling. Anders dan appellante stelt, volgt hier volgens de rechtbank niet uit dat behandeling uitsluitend is gericht op het geven van handvatten voor het dagelijks leven en dat hiermee geen arbeidsvermogen kan worden verkregen.
2.2.
Het enkele feit dat behandeling tot op heden niet heeft geleid tot verbetering van arbeidsvermogen, maakt de inschatting van de duurzaamheid op de beoordelingsdatum door het Uwv volgens de rechtbank niet onjuist. Bij de beoordeling van de duurzaamheid gaat het niet om de vraag of er de komende jaren verbetering zal optreden, maar of ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Daarvan is op [geboortedatum] 2022 (nog) geen sprake. De rechtbank kan zich ook vinden in de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten aanzien van stap drie van het stappenplan. Omdat het ontbreken van arbeidsvermogen op [geboortedatum] 2022 nog niet duurzaam is, kan appellante niet worden aangemerkt als jonggehandicapte. Het Uwv heeft daarom terecht geweigerd per [geboortedatum] 2022 aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Ten overvloede heeft de rechtbank nog opgemerkt er vanuit te gaan dat het Uwv het op 8 mei 2024 door appellante ingediende herzieningsverzoek thans voortvarend oppakt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat in haar situatie geen verbetering meer te verwachten is. Bij appellante is sprake van langdurige therapieresistente ASS-problematiek in combinatie met structurele beperkingen op het gebied van sociale interactie, prikkelverwerking en zelfredzaamheid. Intensieve en langdurige behandelingen hebben geen effect gehad. Het Uwv heeft nagelaten deugdelijk en concreet te onderbouwen waarom appellante zich zou kunnen ontwikkelen richting arbeidsvermogen. In tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen, deelt verzekeringsarts Van Amelsfoort niet het standpunt van het Uwv. In zijn rapport van 5 juni 2024 gaat deze verzekeringsarts er namelijk vanuit dat geen verbetering meer in de situatie van appellante wordt verwacht. Dit is een bevestiging van zijn eerder, in zijn rapport van juni 2022, ingenomen standpunt. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante ook naar de beschikbare GGZ-rapporten uit maart en april 2023. Ten aanzien van haar verzoek van 8 mei 2024 stelt appellante dat het Uwv geen juiste uitvoering heeft gegeven aan wat de rechtbank hierover heeft overwogen. Dit verzoek is ten onrechte niet beoordeeld in het kader van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ten aanzien van het verzoek van 8 mei 2024 heeft het Uwv erop gewezen dat inmiddels, op 8 juli 2025, hierop is beslist. Bij dit besluit is geen Wajong-uitkering toegekend. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en deze procedure is in afwachting van dit hoger beroep aangehouden.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omvang van het geding
5.1.
Appellante wordt er niet in gevolgd dat haar verzoek aan het Uwv van 8 mei 2024, dan wel het hierop genomen besluit van 8 juli 2025, in dit hoger beroep moet worden betrokken. Het bestreden besluit ziet op de vraag of appellante op [geboortedatum] 2022 moet worden aangemerkt als jonggehandicapte. Het besluit van 8 juli 2025 is geen wijziging of intrekking van dit besluit en vervangt dit besluit niet. Van een besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Awb is dan ook geen sprake. Het maakt hierbij niet uit of het besluit van 8 juli 2025 moet worden opgevat als een besluit op basis van artikel 4:6 van Pro de Awb en/of een besluit op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Wat appellante hierover heeft aangevoerd kan zij naar voren brengen in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 juli 2025.
Beoordeling duurzaam geen arbeidsvermogen
5.2.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.3.
Niet in geschil is dat appellante op [geboortedatum] 2022 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat zij voldoet aan de voorwaarde dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij daarnaast niet in staat is een uur aaneengesloten te werken en niet vier uur per dag belastbaar is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 juli 2023 toegelicht dat bij appellante geen sprake is van een stoornis in de energiehuishouding. Ook blijkt uit het dagverhaal niet dat appellante een substantieel deel van de dag bedlegerig is. Daarbij verricht appellante taken die meerdere uren per dag beslaan, zoals het verzorgen van dieren en paardrijden. Deze toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Appellante heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die haar stelling, dat zij niet in staat is een uur aaneengesloten te werken en niet vier uur per dag belastbaar is, onderbouwen. De Raad volgt dan ook het standpunt van het Uwv dat het arbeidsvermogen van appellante op het achttiende jaar uitsluitend ontbreekt omdat appellante niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. De vraag is vervolgens of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.4.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA) kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. [3] In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [4]
5.5.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.6.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat op de achttiende verjaardag van appellante ( [geboortedatum] 2022) niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante nog konden ontwikkelen. De Raad overschrijft de overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen en voegt daar nog het volgende aan toe.
5.7.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 10 februari 2026 voldoende en overtuigend toegelicht op welke aspecten verbetering bij appellante nog mogelijk is. Met (onder meer) de behandelingen, zoals genoemd in informatie van het GGZ van 16 december 2021, kunnen bepaalde vaardigheden worden aangeleerd en verbeterd. Hoewel appellante, vanwege haar autisme, nimmer erg vaardig zal worden in (non-)verbale communicatie, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep het mogelijk dat appellante in staat zal zijn om eenvoudige taken op een laag niveau (zoals het melden van een machine die stopt) aan te leren. Ook acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep het niet uitgesloten dat appellante in de toekomst sociale contacten kan aangaan of onderhouden. In het verleden heeft zij namelijk ook op school gezeten en een diploma behaald. Voor zover appellante deze ontwikkelingsmogelijkheden betwist, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. De van internet afkomstige informatie, die appellante heeft ingebracht, is algemeen en ziet niet op de specifieke situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt dan ook gevolgd in zijn conclusie dat niet uitgesloten is dat appellante in de toekomst nog basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen. Het gaat hier om een inschatting op de datum in geding ( [geboortedatum] 2022). Niet van betekenis is of – achteraf bezien – de verwachte verbetering zich daadwerkelijk heeft gerealiseerd. [5] In de informatie van de GGZ van 20 maart 2023 zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van appellante dat reeds op het achttiende jaar sprake was van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante niet meer zouden kunnen ontwikkelen. Voor zover de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts Van Amelsfoort in zijn aanvullend rapport van 5 juni 2024 concludeert dat bij appellante inmiddels sprake is van een duurzame situatie, is die conclusie gebaseerd op bevindingen en behandelresultaten van na de datum in geding. De stelling van appellante, dat de conclusies over de duurzaamheid in beide rapporten hetzelfde zijn, kan dan ook niet gevolgd worden.
5.8.
Gelet op 5.2 tot en met 5.8 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellante op [geboortedatum] 2022 niet duurzaam was en dat appellante daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en G.C. Boot en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
3.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.
5.Zie de uitspraak van de Raad van 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2483.