Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:666

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
23/3049 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete wegens schending inlichtingenverplichting bij intrekking bijstand

Appellante had bijstand ontvangen die door het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren werd ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van €41.147,08 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd een boete van €327 opgelegd. De schending betrof het niet melden van bijschrijvingen en stortingen op haar bankrekening en PayPal-account.

Appellante stelde in hoger beroep dat het niet aanleveren van bankafschriften een schending van de medewerkingsverplichting was en niet van de inlichtingenverplichting. Dit verweer werd niet nader toegelicht en appellante verscheen niet op de zitting. De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenverplichting niet ter discussie stond en dat het verweer geen grond bood om het besluit te vernietigen.

De Raad constateerde echter dat de procedure meer dan vier jaar had geduurd, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent. Daarom werd de boete ambtshalve verminderd met 5% tot €310,65. De overige besluiten werden bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, overige besluiten worden bevestigd.

Uitspraak

23/3049 PW-PV en 23/3050 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 september 2023, 21/5436 en 22/3017 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Zitting heeft: E.C.E. Marechal als voorzitter en W.F. Claessens en A. Hoogenboom als leden
Griffier: A.T. Dannenberg
De Raad heeft het hoger beroep van appellante behandeld op een zitting van 12 mei 2026. Appellante is, hoewel zij daartoe door de Raad was opgeroepen, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door A.W. Francke.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 4 mei 2022 ongegrond is verklaard;
  • verklaart het beroep in zoverre gegrond, vernietigt het besluit van 4 mei 2022 voor zover het de hoogte van de boete betreft, herroept het besluit van 18 februari 2022 in zoverre, stelt het bedrag van de boete vast op € 310,65 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 4 mei 2022;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Met een besluit van 28 oktober 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 december 2021, heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 41.147,08. Met een besluit van 18 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 4 mei 2022, heeft het dagelijks bestuur appellante een boete opgelegd van € 327,-. Het college heeft aan deze besluiten, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg van het niet melden van de bijschrijvingen en stortingen op haar bankrekening en haar PayPal account.
2. De Raad heeft partijen opgeroepen en daarbij vermeld dat de Raad de gronden van het hoger beroep en grondslag(en) van de bestreden besluitvorming wil bespreken. In het bijzonder wil de Raad met partijen bespreken waar de enige beroepsgrond van appellante, dat het niet aanleveren van bankafschriften een schending van de medewerkingsverplichting oplevert en niet een schending van de inlichtingenverplichting, toe zou kunnen leiden. Schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot de stortingen en bijschrijvingen van derden en het op naam hebben staan van een PayPal account is namelijk niet in geschil.
3. Eén dag voor de zitting heeft de gemachtigde van appellante zonder toelichting bericht dat appellante en de gemachtigde niet ter zitting zullen verschijnen. Een nadere toelichting op de beroepsgrond is ook niet gegeven.
4. De enige beroepsgrond van appellante richt zich tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand en moet zo worden begrepen dat het niet aanleveren van bankafschriften geen schending van de inlichtingenverplichting, maar van de medewerkingsverplichting oplevert. Er is ook hoger beroep ingesteld tegen de boete, maar daarbij zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Nu niet in geschil is dat de inlichtingenverplichting met betrekking tot de stortingen en bijschrijvingen van derden en het op naam hebben staan van een PayPal account is geschonden en ook niet dat deze schending de bestreden besluitvorming kan dragen, kan de bespreking van de grond dat het niet aanleveren van de bankafschriften geen schending van de inlichtingenverplichting inhoudt nergens toe leiden. Daarom komt de Raad niet toe aan de bespreking van die beroepsgrond.
5. De Raad ziet wel ambtshalve aanleiding om de boete te verminderen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De procedure heeft vanaf de datum van het voornemen tot boeteoplegging op 13 januari 2022 tot de datum van deze uitspraak meer dan vier jaar en minder dan vierenhalf jaar geduurd. Dat betekent dat de boete verminderd moet worden met 5%. De boete wordt vastgesteld op € 310,65.
6. Voor vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) E.C.E. Marechal