ECLI:NL:CRVB:2026:676

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
25/447 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens ontbreken zeer dringende redenen

Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor tandartskosten, waaronder een wortelkanaalbehandeling en het vervangen van kronen. Het college wees deze aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt en er geen zeer dringende redenen waren om hiervan af te wijken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellanten stelden dat uitstel van de behandeling ernstige gezondheidsproblemen zou veroorzaken, mede door een chronische nierziekte van appellante, en dat er daarom zeer dringende redenen waren voor bijstand.

De Raad oordeelde dat appellanten deze stellingen onvoldoende met medische gegevens hadden onderbouwd. De verstrekte medische stukken gaven geen inzicht in de gevolgen van het uitstellen van de tandheelkundige behandeling. Ook het argument dat appellante op een wachtlijst voor niertransplantatie staat en daarom een acute noodsituatie zou bestaan, werd niet aannemelijk gemaakt.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het hoger beroep niet slaagde. Het college heeft inmiddels bijzondere bijstand verleend voor een paradontologische behandeling op basis van nieuw beleid. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijzondere bijstand voor tandartskosten blijft in stand.

Uitspraak

25/447 PW, 26/410 PW-VV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 januari 2025, 23/7820 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening
Partijen:
[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)
Datum uitspraak: 12 mei 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor tandartskosten die appellante moet maken. De reden voor afwijzing is dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor dergelijke kosten een voorliggende voorziening is. Volgens appellanten moet op grond van zeer dringende redenen alsnog bijstand worden toegekend. Appellanten krijgen geen gelijk. Het hoger beroep slaagt niet en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben op 6 maart 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is bij de Raad bekend onder nummer 26/410 PW.
Appellanten en het college hebben nadere stukken ingediend
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026, waarbij zowel het hoger beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Hubbers. De voorzieningenrechter heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure na het sluiten van het onderzoek ter zitting de termijn van twee weken voor het doen van de uitspraak verlengd met twee weken.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante werkt sinds 2002 als schoonmaakster. Vanaf juli 2007 tot en met oktober 2012 hebben appellanten gedurende verscheidene perioden bijstand ontvangen. Appellanten zijn eigenaar van hun woning.
1.2.
Appellanten hebben op 16 juni 2023 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend voor tandartskosten van appellante voor een wortelkanaalbehandeling en het vervangen van kronen. De aanvullende zorgverzekering dekt de kosten van de tandheelkundige behandeling niet volledig.
1.3.
Met een besluit van 16 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 november 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de Zvw een passende en toereikende voorliggende voorziening is en dat er geen zeer dringende redenen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW om toch bijzondere bijstand aan appellanten toe te kennen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het door appellanten gedane verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover het beroep ongegrond is verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken. Appellanten stellen zich op het standpunt dat op grond van de actuele medische situatie van appellante een voorlopige voorziening nodig is.

Het oordeel van de Raad en de voorzieningenrechter

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna leggen de Raad en de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komen en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet geschil dat de Zvw in dit geval een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15 van Pro de PW.
Zeer dringende redenen
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat het college voor de kosten van de tandheelkundige behandeling ten onrechte geen bijzondere bijstand heeft verleend omdat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Appellanten stellen dat de tandheelkundige behandeling medisch noodzakelijk is en dat uitstel leidt tot gezondheidsproblemen als gevolg van ontstekingen, infectierisico en mogelijk moeilijk kauwen. Verder heeft appellante een ernstige chronische nierziekte en het ontstaan van infecties en ontstekingen is, zonder tijdige tandheelkundige behandeling, schadelijk voor haar en levert een gevaarlijk situatie op. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.2.1.
Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. [1] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [2]
4.2.2.
Appellanten doen met hun beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Daarom moeten appellanten aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [3] Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Dit oordeel berust op het volgende.
4.2.3.
Appellanten hebben hun stelling dat het achterwege laten van de tandheelkundige behandeling tot ernstige gezondheidsproblemen zal leiden als gevolg van ontstekingen, infectierisico en mogelijk moeilijk kauwen niet onderbouwd met medische gegevens. Appellanten hebben geen (medische) gegevens overgelegd over de omvang en aard van de problematiek en geen stukken waaruit de door hen gestelde gevolgen van het achterwege laten van een behandeling worden toegelicht. Zij hebben alleen een kostenbegroting van de tandarts overgelegd. Ter zitting is gebleken dat de tandheelkundige behandeling nog niet heeft plaatsgevonden.
4.2.4.
Appellanten hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de chronische nierziekte van appellante zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW moeten worden aangenomen. De in hoger beroep verstrekte brieven van de internist van februari 2022 en februari 2025 over de nierziekte bieden hiervoor geen aanknopingspunten. Temeer niet nu hierin niet wordt ingegaan op de vraag welke invloed (het ontbreken van) de tandartsbehandeling heeft op de gezondheid van appellante in verband met haar nierziekte.
4.3.
Appellanten hebben aangevoerd dat de gezondheidssituatie van appellante inmiddels is verslechterd en er daarom sprake is van een acute noodsituatie. Appellante bevindt zich op dit moment in een medisch traject dat is gericht op een mogelijke niertransplantatie. Appellante staat op de wachtlijst voor een niertransplantatie. In het kader van het medisch traject is door de internist uitdrukkelijk aangegeven dat alle infectiehaarden in het lichaam van appellante voorafgaand aan de transplantatie dienen te worden verwijderd en dat daarom het gebit van appellante moet worden gesaneerd en behandeld. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
In het midden kan blijven of appellante op dit moment op een wachtlijst voor een niertransplantatie staat – appellanten hebben hierover geen gegevens verstrekt – en of door plaatsing op de wachtlijst voor niertransplantatie een acute noodsituatie ontstaat, omdat hiervan in 2023 ten tijde van het bestreden besluit in ieder geval nog geen sprake was.
4.4.
Appellanten hebben gesteld dat om te bereiken dat appellante ontstekingsvrij is naast de wortelkanaalbehandeling ook een behandeling door een paradontoloog moet plaatsvinden. Gebleken is dat het college naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van februari 2026 en gelet op het vanaf 1 januari 2026 geldende tegenwettelijk beleid bijzondere bijstand heeft verstrekt voor de kosten van de behandeling door de paradontoloog. Ter zitting heeft het college er op gewezen dat indien de wortelkanaalbehandeling nog niet heeft plaatsgevonden een nieuwe aanvraag gedaan kan worden voor bijzondere bijstand voor de kosten waarvoor in 2023 al bijzondere bijstand is aangevraagd en dat deze aanvraag op grond van het nieuwe beleid zal worden beoordeeld.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.3.1 volgt dat de rechtbank het verzoek tot veroordeling van het college tot vergoeding van schade terecht heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

Hoger beroep
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft en dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.
Verzoek om een voorlopige voorziening
4.7.
Nu in deze uitspraak op het hoger beroep wordt beslist en het hoger beroep niet slaagt, bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
Proceskosten en griffierecht
5. Appellanten krijgen daarom geen vergoeding voor hun proceskosten. Zij zijn vrijgesteld van betaling van het griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 15, eerste lid
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
3.Zie de uitspraak van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.