ECLI:NL:CRVB:2026:681

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
24/2023 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 PWArt. 31 PWArt. 58 lid 8 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet-melding banktegoeden en afwijzing eerdere toekenning

Appellante ontvangt sinds 2010 bijstand en heeft vier inwonende minderjarige kinderen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag en revorderde bijstand over de periode 1 januari 2022 tot en met 30 september 2022 vanwege niet-gemelde bijschrijvingen op haar en haar minderjarige zoon zijn bankrekeningen. Appellante erkende tijdens de procedure dat zij kon beschikken over de bankrekening van haar zoon en dat zij niet aan haar inlichtingenverplichting had voldaan.

Het college had de bijstand ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet overleggen van gevraagde bankafschriften en het niet melden van relevante inkomsten, waaronder leningen die als inkomen worden aangemerkt. Appellante voerde aan dat zij niet wist van de bankrekening van haar zoon en dat de leningen niet als inkomen moesten worden beschouwd, maar deze gronden werden verworpen op basis van vaste rechtspraak en bewijs uit bankafschriften.

Verder werd het beroep op bijzondere omstandigheden om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen afgewezen, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij zich eerder niet kon melden of dat het college haar had belemmerd. Ook het beroep op misbruik van bevoegdheid werd niet gehonoreerd wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken. De herziening en terugvordering van bijstand blijven in stand, evenals de afwijzing van bijstand over de periode voorafgaand aan de aanvraag. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en wijst het beroep op bijzondere omstandigheden af.

Uitspraak

24/2023 PW, 25/423 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024, 24/211 (aangevallen uitspraak 1) en 21 januari 2025, 24/5416 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 12 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan om een herziening en terugvordering van bijstand in verband met bijschrijvingen op de bankrekeningen van appellante en haar minderjarige zoon en om een afwijzing van bijstand over de periode voorafgaand aan de aanvraag. De hoger beroepen slagen niet. Appellante heeft niet onderbouwd dat zij niet kon beschikken over de ontvangen bedragen op de bankrekening van haar minderjarige zoon. Deze bedragen en de bedragen die zij als gestelde leningen voor levensonderhoud op haar eigen rekening ontving zijn relevant voor het recht op bijstand. Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden door de ontvangst van deze bedragen niet te melden. Verder heeft zij niet onderbouwd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden om de toekenning van bijstand eerder te laten ingaan dan de aanvraagdatum.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Erdal, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft een regiebrief gestuurd naar partijen om duidelijk te maken hoe zij de geschillen vooralsnog ziet. Het college heeft in reactie onder andere gemeld dat een van de in de regiebrief weergegeven feiten niet juist is. De Raad heeft schriftelijk erkend dat dit inderdaad het geval is. Appellante heeft gemeld dat de zaken schriftelijk afgedaan kunnen worden. Het college heeft desgevraagd telefonisch gemeld dat hij een zitting niet nodig vindt. Daarom heeft de Raad de zaken niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt bijstand sinds 4 augustus 2010, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm van een alleenstaande ouder. Zij heeft vier inwonende minderjarige kinderen.
1.2.
Op 7 november 2022 is appellante verschenen op een gesprek met een inkomensconsulent van de gemeente Rotterdam en heeft daarbij bankafschriften van de voorgaande maanden van haar bankrekening ingeleverd. Appellante heeft daarna op verzoek inzicht gegeven in twee andere inmiddels opgeheven bankrekeningen op haar naam en de bankrekening van haar minderjarige zoon. Aangezien de inkomensconsulent op de bankrekeningen allerlei bijschrijvingen zag die boven de giftengrens vallen heeft hij appellante uitgenodigd voor een gesprek op 12 januari 2023, waarbij appellante is verzocht om bankafschriften over het hele jaar 2022 mee te nemen. Appellante heeft zich twee keer afgemeld voor een gesprek. Zij is uiteindelijk zonder afmelding niet verschenen voor het derde geplande gesprek.
1.3.
De inkomensconsulent heeft met een brief van 30 januari 2023 appellante verzocht om uiterlijk 6 februari 2023 de gevraagde stukken in te leveren. Appellante heeft niet gereageerd op dit verzoek. Het college heeft op 28 februari 2023 het recht op bijstand opgeschort vanaf 6 februari 2023 en heeft appellante uitgenodigd voor een gesprek op 7 maart 2023. Nadat appellante zich heeft afgemeld is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 14 maart 2023, waarvoor appellante zich ook heeft afgemeld. Op 30 maart 2023 heeft het college de opschorting opgeheven.
1.4.
Met een besluit van 30 maart 2023 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022, omdat appellante niet de gevraagde bankafschriften heeft ingeleverd waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Over de periode 1 september 2022 tot en met 30 september 2022 heeft het college gelet op de niet gemelde bijschrijvingen op de bankrekeningen met toepassing van de grens van beleidsmatig vrijgelaten giften van € 1.200,- de bijstand herzien. De gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 6.742,67 teruggevorderd. Met een besluit van 21 april 2023 (besluit 2) heeft het college het terugvorderingsbedrag gebruteerd naar € 9.901,67.
1.5.
Met een brief van 9 mei 2023 heeft de inkomensconsulent appellante verzocht om bankafschriften vanaf 1 oktober 2022 in te leveren. Bij het uitblijven van de gevraagde stukken heeft het college het recht op bijstand opgeschort met een besluit van 24 mei 2023. Na de toezegging van appellante dat zij de afschriften zou sturen wanneer zij terug is van een verblijf in het buitenland is deze opschorting opgeheven. Bij het uitblijven van stukken heeft de inkomensconsulent met een brief van 31 juli 2022 opnieuw om bankafschriften gevraagd. Bij het uitblijven van een reactie heeft het college het recht op bijstand op 18 augustus 2023 vanaf 15 augustus 2023 opgeschort. Nadat appellante niet heeft gereageerd heeft het college de bijstand met een besluit van 8 september 2023 ingetrokken vanaf 15 augustus 2023.
1.6.
Appellante heeft tijdens het bezwaar tegen besluiten 1 en 2 op 1 september 2023 de gevraagde bankafschriften over de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 alsnog ingeleverd.
1.7.
Appellante heeft op 7 oktober 2023 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend, met als gewenste ingangsdatum 15 augustus 2023. Appellante is een voorschot toegekend en de inkomensconsulent heeft haar op 26 oktober 2023 verzocht om bankafschriften vanaf 1 augustus 2023 in te leveren. Dit verzoek is met brieven van 6 november 2023 en 14 november 2023 herhaald. Op 20 november 2023 heeft appellante verklaard dat haar rekening is geblokkeerd en dat zij niet aan de stukken kan komen.
1.8.
Met een besluit van 24 november 2023 (besluit 3) heeft het college de aanvraag om bijstand van appellante afgewezen omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen zonder de gevraagde bankafschriften. Met een besluit van eveneens 24 november 2023 (besluit 4) heeft het college het verleende voorschot van € 1.094,96 teruggevorderd.
1.9.
Met een besluit van 30 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellante tegen besluiten 1 en 2 gedeeltelijk gegrond verklaard. Met de ingeleverde bankafschriften is alsnog het recht op bijstand herzien over de gehele periode 1 januari 2022 tot en met 30 september 2022. Hierdoor is de terugvordering verlaagd naar netto € 4.660,24 en bruto € 7.405,24.
1.10.
Appellante heeft tijdens het bezwaar tegen besluiten 3 en 4 op 3 januari 2024 de gevraagde bankafschriften vanaf 1 augustus 2023 alsnog ingeleverd.
1.11.
Op 29 april 2024 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft gelet op de inmiddels ingeleverde bankafschriften met een besluit van 8 mei 2024 aan appellante bijstand toegekend vanaf de eerdere aanvraagdatum, namelijk 7 oktober 2023.
1.12.
Met een besluit van 13 mei 2024 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van appellante tegen besluiten 3 en 4 gedeeltelijk gegrond verklaard, aangezien appellante inmiddels vanaf 7 oktober 2023 bijstand ontvangt. Volgens het college zijn geen bijzondere omstandigheden om bijstand toe te kennen vanaf 15 augustus 2023.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Herziening van bijstand
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat de bijschrijvingen op haar eigen rekening leningen waren. Als moeder van vier kinderen had zij geld tekort en moest zij door middel van leningen voorzien in haar levensonderhoud. Zij heeft de inlichtingenverplichting niet geschonden omdat zij niet wist dat leningen van invloed waren op het recht op bijstand. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.1.1.
Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Bovendien worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan een betrokkene als inkomen aangemerkt als hij daarover vrij kan beschikken en maakt de vorm van die betalingen geen verschil. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Dat bij een lening de schuldenlast van de betrokkene toeneemt, is in dit verband niet van belang.
4.1.2.
Aangezien appellante bijstand ontving om in haar levensonderhoud te voorzien had zij redelijkerwijs moeten begrijpen dat ontvangen bedragen, ook zouden dat leningen zijn geweest, relevant zijn voor het recht op bijstand en dat zij deze bijschrijvingen had moeten melden. Zij heeft dan ook de inlichtingenverplichting geschonden door dit niet te doen.
4.2.
Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij niet wist dat haar ex-partner een bankrekening voor haar minderjarige zoon had geopend en daar bedragen op heeft gestort. Zij kon ook niet beschikken over die rekening. Het kan haar niet verweten worden dat haar ex-partner dit heeft gedaan en zij heeft de inlichtingenverplichting daarom niet geschonden. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
De Raad heeft eerder overwogen dat de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat een ouder redelijkerwijs kan beschikken over een tegoed op een op naam van een inwonend minderjarig kind gestelde bankrekening. [1] Appellante heeft daarvoor geen tegenbewijs geleverd. Uit de bankafschriften blijkt dat vanaf de bankrekening van de zoon al begin januari 2022 bedragen werden overgemaakt naar de bankrekening van appellante, zodat niet aannemelijk is dat zij niet op de hoogte was van deze bankrekening. Gedurende de procedure heeft appellante ook erkend dat de bank haar desgevraagd heeft geïnformeerd dat zij kan beschikken over de bankrekening van haar zoon.
4.2.2.
Appellante had daarom redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij de bedragen die binnenkwamen op deze rekening had moeten melden bij het college. Door dit niet te doen heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de klachtprocedure in verband met haar gronden over de handelswijze van het college. Volgens appellante heeft de inkomensconsulent haar onheus bejegend en onder druk gezet. Er zou sprake zijn van détournement de pouvoir (misbruik van bevoegdheid). Deze grond slaagt niet. Appellante heeft ondanks dat de Raad hier op gewezen heeft in de regiebrief niet onderbouwd op welke manier sprake is van misbruik van bevoegdheid. De herziening en terugvordering zijn gebaseerd op de feiten die blijken uit de ingeleverde bankafschriften. De uitoefening van die bevoegdheden houdt in die zin geen verband met de handelswijze van de inkomensconsulent.
4.4.
Mede gelet op de overwegingen van de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 op dit punt vat de Raad de verwijzing van appellante naar de zeer dringende redenen van artikel 16 van Pro de PW op als een beroep op de dringende redenen van artikel 58, achtste lid, van de PW. Deze grond slaagt niet omdat appellante de gestelde dringende redenen niet heeft onderbouwd. Dat zij vier inwonende kinderen heeft en in een lastige financiële situatie bevindt is op zichzelf onvoldoende om te spreken van dringende redenen om af te zien van terugvordering.
4.5.
De grond van appellante dat bestreden besluit 1 gelet op de gevolgen onevenredig is slaagt al niet omdat zij deze stelling verder niet heeft onderbouwd.
Toekenning met terugwerkende kracht
4.6.
Appellante heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn om de toekenning van bijstand te laten ingaan op 15 augustus 2023, omdat de besluitvorming door al het berichtenverkeer voor haar moeilijk te volgen was. Deze grond slaagt niet. Bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Vergelijk eerdere rechtspraak. [2] Deze situaties doen zich hier niet voor. Uit het dossier blijkt niet dat appellante in de periode rondom het intrekkingsbesluit van 8 september 2023 veel berichten kreeg van het college. Uit het intrekkingsbesluit en het voorafgaande opschortingsbesluit had het appellante, die in die periode al rechtsbijstand ontving, duidelijk moeten zijn dat en waarom haar bijstand werd ingetrokken. Dat appellante pas op 7 oktober 2023 een nieuwe aanvraag heeft ingediend betekent gelet op deze omstandigheden niet dat er sprake is van bijzondere omstandigheden.
4.7.
Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat het college vanaf 15 augustus 2023 bijstand zou toekennen omdat zij bankafschriften vanaf 1 augustus 2023 moest inleveren. Deze grond slaagt niet omdat het opvragen van bankafschriften over de voorgaande periode geen toezegging inhoudt dat over die gehele periode bijstand toegekend zal worden.
4.8.
De grond van appellante dat bestreden besluit 2 gelet op de gevolgen onevenredig is slaagt al niet omdat zij deze stelling verder niet heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

4.9.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van bijstand en de afwijzing van bijstand over de periode 15 augustus 2023 tot 7 oktober 2023 in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7177.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172.