Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:693

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
24/225 BBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Bbz 2004Art. 14 lid 1 Bbz 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging opschortende voorwaarden bij toekenning bedrijfskapitaal onder Bbz 2004

Appellanten, exploitanten van een natuurvoedingswinkel, vroegen bedrijfskapitaal aan onder het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het dagelijks bestuur verleende dit onder twee opschortende voorwaarden: het aantonen van een schuldsanering van € 12.000,- binnen zes maanden en het voldoen aan omzet- en privé-uitgavencriteria.

Appellanten voerden aan dat de termijn van zes maanden onredelijk was, mede omdat het besluit pas vijf weken na de datum van het besluit werd verzonden en zij pas later wisten dat de kosten van schuldsanering vergoed werden. De Raad oordeelde echter dat de termijn van zes maanden startte op de datum van het besluit en dat het mogelijk was binnen die termijn aan te tonen dat schuldsanering haalbaar was. Bovendien werden alternatieve schuldsaneringsbureaus genoemd die appellanten konden inschakelen.

De Raad concludeerde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat het onmogelijk was om vóór het verstrijken van de termijn een schuldsanering te realiseren. Ook de omzetvoorwaarde werd niet nader besproken omdat de schuldsaneringsvoorwaarde al als reëel werd beoordeeld en niet was nageleefd.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee het besluit tot verlening van het bedrijfskapitaal onder de opschortende voorwaarden in stand bleef. Appellanten kregen geen vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verlening van bedrijfskapitaal onder opschortende voorwaarden blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2023, 23/561 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het dagelijks bestuur van Senzer (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de verlening van bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) onder twee opschortende voorwaarden. Appellanten voeren aan dat de eerste opschortende voorwaarde, die gaat over het saneren van hun schulden, niet reëel is. Appellanten krijgen hierin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 april 2026. Appellanten zijn verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L. Slegers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten exploiteren sinds 2014 een winkel in natuurvoeding en reformartikelen.
1.2.
Op 25 april 2022 hebben appellanten een aanvraag gedaan om algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) in opdracht van het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellanten. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 30 juni 2022. In dat rapport heeft het IMK geconcludeerd dat een sanering van de schulden van appellanten noodzakelijk is, dat daarvoor een bedrag van (maximaal) € 12.000,- nodig is en dat na sanering van de schulden sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Het IMK adviseert het dagelijks bestuur om appellanten algemene bijstand te verlenen voor de duur van zes maanden in de vorm van een renteloze geldlening en hen een bedrijfskrediet van € 12.000,- te verstrekken als zij schriftelijk hebben aangetoond dat aan de volgende twee opschortende voorwaarden is voldaan:
- appellanten moeten binnen zes maanden na het besluit van het dagelijks bestuur aantonen dat een schuldsanering tegen finale kwijting gerealiseerd kan worden voor een bedrag van € 12.000,- (schuldsaneringsvoorwaarde) en
- bij realisatie van de schuldsanering moet aangetoond worden dat sprake is van vormbehoud van de bedrijfsexploitatie – met een minimale omzetrealisatie volgens de omzetprognose – en dat de privé-uitgaven niet noemenswaardig hoger liggen dan de begroting (omzetvoorwaarde).
1.3.
Met een besluit van 22 juli 2022, verzonden op 25 augustus 2022 en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 januari 2023 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur aan appellanten algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 verleend over de periode van 1 april 2022 tot en met 30 september 2022 in de vorm van een renteloze geldlening. Ook heeft het dagelijks bestuur een bedrijfskrediet verleend van € 12.000,- in de vorm van een lening onder de door het IMK geadviseerde opschortende voorwaarden zoals vermeld in 1.2. Aan de besluitvorming ligt het rapport van het IMK ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de verlening van algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Gelet op wat ter zitting is besproken is de verlening van algemene bijstand niet in geschil. Ook de verlening van het bedrijfskrediet als zodanig is niet in geschil. Het geschil gaat in de eerste plaats over de schuldsaneringsvoorwaarde. Wat appellanten daarover ter zitting hebben aangevoerd komt erop neer dat dit om de volgende redenen geen reële voorwaarde was. Het realiseren van een schuldsanering binnen zes maanden is al aan de krappe kant, maar door de handelwijze van het dagelijks bestuur was dit helemaal niet meer haalbaar. Het besluit van 22 juli 2022 is namelijk pas op 25 augustus 2022 verzonden. Daardoor waren al vijf weken van de zesmaandentermijn verstreken. Bovendien was pas in bezwaar bekend dat het dagelijks bestuur de kosten van schuldsanering door een extern bureau afzonderlijk zou vergoeden en dat het volledige bedrijfskrediet kon worden ingezet voor schuldsanering. In de termijn die toen nog resteerde kon geen schuldsanering meer gerealiseerd worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Letterlijke lezing van de tekst van de schuldsaneringsvoorwaarde duidt er niet op dat de beoogde schuldsanering binnen zes maanden na dagtekening van het besluit op de Bbzaanvraag feitelijk gerealiseerd moest zijn, maar dat appellanten binnen die termijn moesten aantonen dat het mogelijk was om een schuldsanering te realiseren voor een bedrag van € 12.000,-.
4.1.2.
De termijn van zes maanden is aangevangen op 22 juli 2022, de datum van het besluit op de Bbz-aanvraag, en eindigde zes maanden daarna op 22 januari 2023. Weliswaar is het besluit van 22 juli 2022 pas vijf weken daarna verzonden, maar dat betekent niet dat het voor appellanten toen niet meer haalbaar was om aan te tonen dat een schuldsanering voor een bedrag van € 12.000,- gerealiseerd kon worden. Een medewerker van Senzer heeft met een emailbericht van 16 november 2022 – dus binnen de hiervoor genoemde termijn van zes maanden – aan appellanten kenbaar gemaakt dat zij op kosten van het dagelijks bestuur een extern bureau voor schuldsanering konden inschakelen. Appellanten wisten op dat moment dus dat het volledige bedrijfskrediet van € 12.000,- kon worden ingezet voor sanering van hun schulden. Dit betekent dat nog een termijn van ruim twee maanden resteerde om aan te tonen dat het voor dat bedrag mogelijk was een schuldsanering te realiseren. De Raad ziet niet in dat die termijn te kort zou zijn om aan de opschortende schuldsaneringsvoorwaarde te kunnen voldoen. Weliswaar hebben appellanten het dagelijks bestuur laten weten dat het schuldsaneringsbureau dat zij hadden benaderd niet met appellanten in zee wilde gaan, maar in het hiervoor genoemde e-mailbericht van 16 november 2022 zijn bij wijze van voorbeelden vier andere schuldsaneringsbureaus genoemd die appellanten zouden kunnen inschakelen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het voor hen niet mogelijk was om vóór 22 januari 2023 één van die bureaus in te schakelen voor het saneren van hun schulden voor een bedrag van € 12.000,-. Appellanten hebben wel in het algemeen gesteld dat schuldsaneringsbureaus hieraan slechts willen meewerken indien het krediet daarvoor daadwerkelijk is verstrekt, maar zij hebben die stelling niet onderbouwd en dus ook niet dat dit zou gelden voor de vier in het e-mailbericht van 16 november 2022 genoemde schuldsaneringsbureaus.
4.1.3.
Als ervan moet worden uitgegaan dat de schuldsaneringsvoorwaarde wel inhoudt dat, zoals appellanten hebben aangevoerd, de beoogde schuldsanering binnen zes maanden na dagtekening van het besluit op de Bbz-aanvraag – dus uiterlijk op 22 januari 2023 – gerealiseerd moest zijn, dan hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat dat niet mogelijk was. Zij hebben wel gesteld dat zij te weinig tijd hadden om de beoogde schuldsanering te realiseren, maar hebben ook die stelling niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens.
4.2.
Appellanten hebben ter zitting ook nog aangevoerd dat de omzetvoorwaarde voor hen niet haalbaar was. Deze grond hoeft om de volgende reden niet te worden besproken. Uit het voorgaande volgt dat de schuldsaneringsvoorwaarde een reële voorwaarde was. Niet in geschil is dat appellanten niet hebben voldaan aan deze voorwaarde. Daarmee is gegeven dat appellanten niet hebben voldaan aan één van de twee opschortende voorwaarden voor verlening van het bedrijfskrediet van € 12.000,-, en daarmee ook dat zij geen aanspraak meer kunnen maken op dat krediet.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit tot verlening van een bedrijfskrediet van € 12.000,-, met onder meer de opschortende voorwaarde van een tijdig aangetoonde mogelijkheid van schuldsanering, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Artikel 10
Algemene bijstand kan naar de regels van dit besluit worden verleend in de vorm van een renteloze geldlening, die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag om niet of in de vorm van een bedrag om niet.
Artikel 14, eerste lid
Bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening, een renteloze lening, borgtocht of een bedrag om niet.