ECLI:NL:CRVB:2026:729

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/113 Wajong
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AAWArt. 2 Besluit aanwijzing verzekerden AAW zonder inkomenArt. 25 AAW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt toekenning AAW-uitkering wegens ontbreken studietijd voorafgaande aan eerste ziektedag

Betrokkene had een AAW-uitkering toegekend gekregen door de rechtbank per 15 juni 2023, ondanks dat het UWV dit had geweigerd omdat betrokkene in het jaar voorafgaand aan de eerste ziektedag niet ten minste zes maanden studerend was. De rechtbank oordeelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en dat er voldoende aanwijzingen waren dat betrokkene al eerder arbeidsongeschikt was.

Het UWV stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat het oorspronkelijke besluit uit 1986 correct was, omdat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden voor een AAW-uitkering. De Centrale Raad van Beroep volgde het standpunt van het UWV en oordeelde dat het onderzoek destijds zorgvuldig was uitgevoerd en dat er onvoldoende concrete medische informatie was om te concluderen dat betrokkene al vóór september 1984 arbeidsongeschikt was.

De Raad benadrukte dat betrokkene na mei 1982 niet meer als student kon worden aangemerkt, waardoor hij niet voldeed aan de studietijdvereiste. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, waardoor betrokkene geen aanspraak kan maken op een Wajong-uitkering of AAW-uitkering per de door de rechtbank vastgestelde datum.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van het UWV gegrond, waardoor betrokkene geen AAW- of Wajong-uitkering krijgt toegekend.

Uitspraak

25/113 WAJONG, 25/638 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 december 2024, 24/3040 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 2 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank terecht zelf in de zaak heeft voorzien door betrokkene per 15 juni 2023 een uitkering op grond van de AAW toe te kennen. Volgens het Uwv heeft betrokkene geen recht op een AAW- of Wajong-uitkering, omdat hij in het jaar voorafgaand aan de eerste ziektedag niet ten minste zes maanden studerend was. Volgens betrokkene had de uitkering per een eerdere datum moeten worden toegekend. De Raad volgt het standpunt van het Uwv en komt tot het oordeel dat de rechtbank betrokkene ten onrechte een AAW-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een zienswijze ingediend in het incidenteel hoger beroep.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort. Voor betrokkene is zijn zus, [naam zus] , verschenen bijgestaan door mr. Bouwman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 1958, heeft op 4 oktober 1985 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, de rechtsvoorganger van het Uwv, heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat betrokkene in het jaar voor de eerste ziektedag, 26 september 1984, niet gedurende zes maanden student was. Bij besluit van 1 april 1986 is betrokkene een AAW-uitkering geweigerd.
1.2.
Betrokkene heeft met een door het Uwv op 16 juni 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat niet kan worden vastgesteld of de eerste ziektedag van betrokkene was gelegen in (of kort na) een periode waarin betrokkene studerend was. Met een besluit van 19 juli 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd betrokkene een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 28 maart 2024 heeft het Uwv het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
1.4.
Na het verzenden van het besluit van 28 maart 2024 heeft het Uwv geconstateerd dat betrokkene ten onrechte niet is gehoord. Op 15 april 2024 heeft alsnog een hoorzitting plaatsgevonden.
1.5.
Bij besluit van 3 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv kan niet worden vastgesteld of de eerste ziektedag tijdens studie is gelegen, zodat geen recht bestaat op een Wajonguitkering. Daarnaast bestaat volgens het Uwv geen aanleiding om terug te komen van het besluit van 1 april 1986, waarin is geweigerd betrokkene een AAW-uitkering toe te kennen. Aan het besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 19 juli 2023 herroepen en betrokkene alsnog per 15 juni 2023 een uitkering op grond van de AAW toegekend. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv aanleiding had moeten zien om terug te komen van het besluit van 1 april 1986. Er is voldoende reden om aan de juistheid van het destijds genomen besluit te twijfelen. Niet in geschil is dat betrokkene aan schizofrenie leidt en dat hij als gevolg hiervan arbeidsongeschikt is. Concrete medische informatie over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ontbreekt en vanwege het tijdsverloop is het onmogelijk hier nu nog nader onderzoek naar te doen. Naar het oordeel van der rechtbank staat niet zonder meer vast dat, wanneer er destijds wel verdergaand gedegen (her)onderzoek zou zijn verricht, tot een andere conclusie zou zijn gekomen. Volgens de rechtbank moet er aan worden getwijfeld of de psychische decompensatie van betrokkene pas eerst in september 1984 daadwerkelijk tot arbeidsongeschiktheid heeft geleid. Het dossier biedt voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat al eerder, en wel per mei 1982, sprake was van ernstige klachten. Niet in geschil is dat betrokkene in ieder geval in het jaar daaraan voorafgaande als studerende kon worden aangemerkt. Indien destijds een zorgvuldig (nader) onderzoek zou zijn verricht, had dit naar alle waarschijnlijkheid tot toekenning van een AAW-uitkering geleid. De omstandigheid dat dit onderzoek destijds niet heeft plaatsgevonden, kan betrokkene niet worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van betrokkene om een AAW-uitkering te ontvangen zwaarder dan het belang van het Uwv om hiertoe niet over te gaan. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat betrokkene op korte termijn de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Omdat betrokken op 15 juni 2023 om herziening heeft verzocht, wordt de uitkering per die datum toegekend.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens het Uwv heeft de rechtbank betrokkene ten onrechte een AAW-uitkering toegekend. Betrokkene voldeed op 26 september 1984, de eerste ziektedag, niet aan de voorwaarden hiervoor. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bestaat daarom geen aanleiding om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 1 april 1986. Er kan niet medisch objectief worden vastgesteld dat al eerder dan in 1984 sprake was van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Omdat geen informatie meer beschikbaar is over de beslissing uit 1986, heeft de rechtbank geen uitspraak kunnen doen over de zorgvuldigheid van het onderzoek destijds of over het recht op uitkering. Voorts is de belangenafweging die de rechtbank heeft gemaakt te beperkt geweest, omdat alleen de leeftijd van betrokkene is meegewogen.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
4.1.
Betrokkene is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover het gaat om de ingangsdatum van de door de rechtbank toegekende AAW-uitkering. Betrokkene meent dat op grond van artikel 25 van Pro de AAW de uitkering met meer dan een jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend. Daarnaast kan de uitkering ambtshalve op een nog eerder moment worden toegekend. Uit het dossier blijkt dat betrokkene al eerder aan de vereisten voor toekenning van een uitkering voldeed. Uit de bevindingen van de gemeentelijke sociale dienst Zaanstad blijkt dat betrokkene vanaf mei 1982 niet meer zou hebben gestudeerd en hij ook toen al arbeidsongeschikt was.
4.2.
Het Uwv heeft hierop gereageerd met een zienswijze. Zou er al voor de toekomst teruggekomen moeten worden van de beslissing uit 1986, zou een Wajong-uitkering volgens het Uwv niet eerder dan 16 juni 2023 (de ontvangstdatum van het verzoek om terug te komen) hoeven te worden toegekend.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van het besluit van 1 april 1986 heeft vernietigd en betrokkene een AAW-uitkering heeft toegekend, aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW, zoals deze bepaling destijds gold, heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde van 17 jaar of ouder die arbeidsongeschikt wordt indien hij in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, inkomen heeft verworven uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven; zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
5.2.
Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit aanwijzing verzekerden AAW zonder inkomen (Besluit), zoals dat destijds gold, wordt, voor zover hier van belang, als student beschouwd, degene wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, voor zolang hij de leeftijd van dertig jaar nog niet heeft bereikt.
5.3.
Het Uwv heeft terecht geen aanleiding gezien om terug te komen van het besluit van 1 april 1986, omdat niet is gebleken dat dit besluit onjuist is. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, blijkt niet dat het onderzoek destijds onzorgvuldig is geweest. Uit de nog beschikbare stukken uit die tijd volgt dat betrokkene destijds op het spreekuur van de verzekeringsarts is gezien en dat vervolgens informatie is opgevraagd bij de behandelend psychiater van betrokkene. De psychiater heeft desgevraagd geschreven dat betrokkene sinds oktober 1984 bij hem in behandeling is wegens een geleidelijk in ernst toegenomen psychose. Naar aanleiding daarvan is destijds geconcludeerd dat de eerste ziektedag is gelegen op 26 september 1984 en dat betrokkene daarmee niet voldeed aan de inkomenseis uit de AAW. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat aan het destijds genomen besluit van 1 april 1986 een onzorgvuldig onderzoek ten grondslag lag.
5.4.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen blijkt ook niet dat sprake is van een inhoudelijk onjuist besluit. Uit de medische informatie blijkt dat de huisarts in juni 1984 voor het eerst contact opnam met het RIAGG nadat betrokkene over een langere periode toenemend bizar en teruggetrokken gedrag was gaan vertonen en zijn toestand verslechterde, dat betrokkene eind september 1984 voor zijn psychose het eerst medicatie door de huisarts kreeg toegediend waarna de psychose snel verbleekte en dat hij vanaf oktober 1984 onder psychiatrische behandeling kwam. Er was toen sprake van paranoïde wanen, formele denkstoornissen, hevige angst en vrijwel mutisme. Met neuroleptische medicatie verbleekte de psychose snel. Betrokkene werd geadviseerd de medicatie lang te blijven gebruiken in verband met de grote kans op recidive na staken van de medicatie. De Raad onderkent dat op basis van deze gegevens niet kan worden uitgesloten dat bij betrokkene al vóór juni 1984 sprake is geweest van psychische klachten in verband met de later gediagnosticeerde aandoening schizofrenie, voor het standpunt van betrokkene dat al sedert mei 1982 sprake was van wezenlijke (arbeids)beperkingen zijn onvoldoende concrete en duidelijke aanwijzingen, aangezien medische informatie uit die periode ontbreekt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan daarom worden gevolgd in de conclusie dat, aangezien duidelijke en concrete informatie ontbreekt over het functioneren van betrokkene eind jaren zeventig en begin jaren tachtig, niet terugkijkend kan worden vastgesteld dat betrokkene reeds vóór juni 1984 wezenlijke (arbeids)beperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek. De in hoger beroep ingezonden brief van 11 december 2025 van de psychiater, die betrokkene destijds vanaf oktober 1984 behandelde, maakt dit niet anders. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daar terecht tegenover gesteld dat de psychiater weliswaar spreekt over een sluipend beloop van de ziekte sinds begin 1982 en dat betrokkene volgens de psychiater al jarenlang ziek en arbeidsongeschikt was toen hij onder behandeling kwam, maar dat onduidelijk is op welke medische gegevens de psychiater dit baseert, aangezien betrokkene tot juni 1984 niet is onderzocht en er slechts summiere informatie uit die periode bekend is. Ook kan uit die brief niet worden opgemaakt wat de aard en omvang van de beperkingen was waarmee betrokkene zich in de periode vóór juni 1984 zag geconfronteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn standpunt dat ook deze brief van de destijds behandelend psychiater onvoldoende onderbouwing biedt voor het standpunt van betrokkene dat hij al vanaf mei 1982 arbeidsongeschikt is. Van belang hierbij is dat betrokkene met zijn aanvraag van 16 juni 2023 eerst na zeer lange tijd de juistheid van het op 1 april 1986 genomen besluit ter discussie heeft gesteld. Dat er door het zeer lange tijdsverloop onvoldoende zicht is op het functioneren en de arbeidsbeperkingen van betrokkene destijds, komt voor zijn risico.
5.5.
Niet in geschil is dat betrokkene na mei 1982 feitelijk niet meer heeft gestudeerd. Dat betrokkene in het studiejaar 1982/1983 nog stond ingeschreven aan de universiteit, is onvoldoende om aangemerkt te kunnen worden als student in de zin van de AAW en het Besluit. Betrokkene voldeed daarmee immers niet aan de eis dat zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels (te weten: ten minste 20 uren per week) [1] in beslag werd genomen door studie. Het Uwv heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene in het jaar voorafgaand aan zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet als studerend kan worden aangemerkt en er daarom geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 1 april 1986, waarin een AAW-uitkering op die grondslag werd geweigerd.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal de Raad alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 1 april 1986 in stand blijft en betrokkene geen aanspraak kan maken op een Wajong-uitkering. Het incidenteel beroep slaagt daarom niet.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 mei 2024 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 5 september 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8034.