Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:739

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/1597 BABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 BABWArt. 1 Regeling gehandicaptenparkeerkaartArt. 2 Regeling gehandicaptenparkeerkaartArt. 3 Regeling gehandicaptenparkeerkaartArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gehandicaptenparkeerkaart voor passagier bevestigd

Appellant vroeg een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een passagier aan, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af op basis van een medisch advies van de GGD Amsterdam. Uit dit advies bleek dat appellant, hoewel hij met loophulpmiddelen niet zelfstandig meer dan 100 meter kan lopen, niet continu afhankelijk is van hulp van de bestuurder bij vervoer van deur tot deur.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit. De rechtbank oordeelde dat het college terecht een hoge lat hanteert bij de beoordeling van de voorwaarden voor een GPK voor passagiers, mede vanwege de schaarste aan parkeerplekken. De GPK is bedoeld voor personen die niet alleen gelaten kunnen worden vanwege ernstige kwetsbaarheid, wat bij appellant niet het geval is.

Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en het college. De Raad benadrukt dat de Regeling gehandicaptenparkeerkaart vereist dat passagiers continu afhankelijk zijn van hulp van de bestuurder, en dat appellant deze voorwaarde niet vervult. Ook acht de Raad de afwijzing niet onredelijk bezwarend, ondanks de zware situatie van appellant en zijn dochter.

Het hoger beroep wordt verworpen, het bestreden besluit blijft in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier wordt bevestigd omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1597 BABW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2025, 24/6003 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 4 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag van appellant voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 april 2026. Voor appellant is mr. Hoksbergen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Mulder en Y. Elkaouini.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 22 mei 2024, gehandhaafd bij besluit van 5 september 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een passagier afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het medische advies van de GGD Amsterdam (GGD) van 25 april 2024 blijkt dat appellant weliswaar zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, in redelijkheid niet zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aaneengesloten te voet kan overbruggen, maar ook dat hij niet continu afhankelijk is van hulp van de bestuurder bij vervoer van deur tot deur. Daarom voldoet appellant niet aan de voorwaarden voor een GPK voor een passagier.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de aanvraag voor een GPK terecht afgewezen op basis van het advies van een arts van de GGD. Dit advies is opgesteld aan de hand van de Richtlijn gehandicaptenparkeerkaart 2022 (Richtlijn). De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat in de Richtlijn een te strenge invulling is gegeven aan de voorwaarden voor een GPK, zoals die zijn neergelegd in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling).De rechtbank heeft verder overwogen dat de verwijzing naar de woorden ‘in redelijkheid’ in de Regeling niet ziet op het vereiste dat de aanvrager voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. In de jurisprudentie is al meermaals beslist dat het college de lat hoog mag leggen met betrekking tot de vereisten, mede gelet op de schaarste van de parkeerplekken. De GPK voor passagiers is bedoeld voor mensen die niet alleen gelaten kunnen worden, zelfs niet met een hulpmiddel, omdat zich dan een ernstig probleem kan voordoen als gevolg van een kwetsbaarheid op somatisch, psychiatrisch of verstandelijk gebied. Dat is bij appellant niet het geval. Er is hiervoor ook geen medische onderbouwing gegeven. Dat de situatie van appellant zwaar is en ook met name voor zijn dochter, die hem in alles ondersteunt, maakt niet dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de afwijzing van de parkeerkaart voor appellant onredelijk bezwarend is.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
4.2.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling kunnen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.
4.3.
In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat een gehandicaptenparkeerkaart niet wordt afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager. Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat het geneeskundig onderzoek, ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van Pro het BABW wordt verricht door de GGD dan wel – bij externe advisering – door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige.
4.4.
Om de uniformiteit te bevorderen wordt bij deze medische advisering gebruik gemaakt van de Richtlijn. Deze Richtlijn vervangt het Protocol Gehandicaptenparkeervoorzieningen van de Vereniging van Indicerende en Adviserende Artsen (VIA-Protocol). Net als het VIA-protocol is de Richtlijn geen algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bepalend bij de beoordeling van een aanvraag voor een GPK is de Regeling zelf. [1]
4.5.
Het college heeft beoordelingsruimte ten aanzien van de wijze waarop hij het in artikel 1, eerste lid, aanhef onder b, van de Regeling genoemde criterium invult, maar het is daarbij wel gebonden aan het doel en de strekking van de Regeling. Deze worden niet overschreden door de voorwaarde dat de aanvrager voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk moet zijn van de hulp van de bestuurder zo uit te leggen dat hij door zijn aandoening of gebrek niet in staat moet worden geacht om op de plaats van bestemming, al dan niet zittend, alleen te wachten totdat de bestuurder de auto heeft weggebracht. Dat appellant in staat is om op deze wijze te wachten, is tussen partijen niet in geschil. Daarmee voldoet appellant niet aan alle voorwaarden voor verstrekking van een GPK voor een passagier.
4.6.
Wat appellant verder naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan appellant meent, zien de woorden “in redelijkheid” in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling niet op de hiervoor besproken voorwaarde. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom de afwijzing van de GPK voor een passagier voor appellant niet onredelijk bezwarend is. De Raad onderschrijft deze overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit en daarmee de afwijzing van de aanvraag om een GPK voor een passagier in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1073.