Appellant was sinds 1999 in dienst bij een overheidswerkgever en meldde zich in 2020 ziek. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst in 2022 ontving appellant een Ziektewetuitkering, die later werd omgezet in een WW-uitkering. De ex-werkgever, verantwoordelijk voor re-integratie, meldde verwijtbaar gedrag bij het UWV omdat appellant niet tijdig startte met een leerwerktraject en onvoldoende meewerkte aan re-integratieactiviteiten.
Het UWV legde daarom een maatregel op: verlaging van de WW-uitkering met 25% voor vier maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zonder geldige reden niet meewerkte en dat de gespreksverslagen van het re-integratiebedrijf betrouwbaar waren. Appellant voerde aan dat hij door juridische procedures, mantelzorgtaken en vakantie niet eerder kon starten en dat het traject niet passend was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant weliswaar pas in september 2023 met het leerwerktraject startte, maar dat hij per 1 mei 2023 had moeten starten en dat zijn persoonlijke omstandigheden geen geldige reden vormden om uitstel te rechtvaardigen. De Raad vond de maatregel proportioneel en in overeenstemming met de wet. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de uitkering bleef in stand.