ECLI:NL:CRVB:2026:743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schadevergoeding van €1.000 wegens onrechtmatige besluiten UWV
Appellante ontving vanaf oktober 2021 een WW-uitkering en later een Ziektewetuitkering. Het UWV trok op 19 september 2022 deze uitkeringen en toeslagen in vanwege vermoedens van onrechtmatigheid en legde een boete op. De rechtbank verklaarde deze besluiten onrechtmatig en kende appellante een immateriële schadevergoeding van €1.000,- toe, waarbij materiële schade werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.
In hoger beroep betoogde appellante dat de vergoeding te laag was en eiste €5.000,- vanwege de impact van het UWV-onderzoek op haar psychische gezondheid en re-integratie. De Raad oordeelde dat de rechtbank de vergoeding billijk had vastgesteld en dat de materiële schade niet aannemelijk was gemaakt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen vergoeding voor proceskosten. De uitspraak is gebaseerd op artikel 8:88 Awb Pro en artikel 6:106 BW Pro, waarbij psychische schade als immateriële schade werd erkend en de hoogte van de vergoeding naar billijkheid werd vastgesteld.
Uitkomst: De schadevergoeding van €1.000,- voor immateriële schade wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.