Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:748

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
24/1959 NOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 AwbArt. 4:49 AwbArt. 4:95 AwbArt. 1 WfsvArt. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging wijziging en terugvordering NOW-subsidies en compensatie transitievergoeding wegens ontbreken dienstbetrekking

In deze zaak gaat het om de wijziging van subsidievaststellingen op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche), de lagere vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) en de daarop gebaseerde terugvorderingen. De minister stelde vast dat een medewerker niet werkzaam was op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waardoor de loonsom in de subsidievaststellingen onjuist was.

De minister wijzigde de subsidievaststellingen en vorderde onverschuldigd betaalde subsidies terug. Tevens werd de compensatie transitievergoeding herzien en teruggevorderd op grond van dezelfde overwegingen. Appellanten betwistten deze besluiten, onder meer met verwijzing naar het rechtszekerheidsbeginsel en het eigendomsrecht uit het EVRM, en stelden dat het onderzoek onrechtmatig was.

De Raad oordeelde dat de minister bevoegd was de subsidies te wijzigen en terug te vorderen, omdat de subsidievaststellingen onjuist waren en appellanten dit wisten of behoorden te weten. Het onderzoek was niet onrechtmatig en er was geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad verwierp de bezwaren tegen de herziening van de compensatie transitievergoeding, omdat deze op dwingendrechtelijke bepalingen berustte.

De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde de aangevallen uitspraken van de rechtbank Amsterdam. De terugvorderingen en wijzigingen blijven daarmee in stand, zonder aanleiding voor vergoeding van wettelijke rente of proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de subsidiewijzigingen en terugvorderingen en wijst de beroepen van appellanten af.

Uitspraak

24/1959 NOW, 25/942 CRTV, 25/943 CRTV, 25/989 NOW, 25/990 NOW, 25/991 NOW, 25/992 NOW, 25/993 NOW, 25/994 NOW, 25/995 NOW
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2024, 24/728 (aangevallen uitspraak 1) en op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2025, 23/2837, 23/3377, 23/2965, 23/4624, 23/2078, 23/2967, 23/2969, 23/2971 en 23/3375 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante 1 stichting] te [vestigingsplaats 1] (appellante 1)
[Appellante 2 stichting] te [vestigingsplaats 2] (appellante 2)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de wijziging van de subsidievaststellingen op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche), om de lagere vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) en daarop gebaseerde terugvorderingen. De minister heeft aan de wijziging en lagere vaststelling ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat een medewerker niet werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, en dat in de vaststellingsbesluiten en het verleningsbesluit ten onrechte is uitgegaan van de door appellanten opgevoerde loonsom waarin het loon van deze betrokkene was opgenomen. De Raad oordeelt dat de minister bevoegd was de subsidievaststellingen te wijzigen, de subsidie lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terug te vorderen.
Het gaat in deze uitspraak ook om herziening en terugvordering van de compensatie transitievergoeding die zijn gebaseerd op dezelfde overwegingen ten aanzien van de privaatrechtelijke dienstbetrekking van de betreffende medewerker. De Raad volgt appellanten niet in hun betwisting hiervan en bevestigt de aangevallen uitspraak.

PROCESVERLOOP

Namens appellante 2 heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Appellante 2 heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante 1 en appellante 2 heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2 voor zover deze ziet op de NOW. Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante 1 en appellante 2 heeft mr. O. Labordus hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de CRTV. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaken gezamenlijk behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam huidig bestuurder van appellante 1 en voormalig bestuurder van appellante 2] (huidig bestuurder van appellante 1 en voormalig bestuurder van appellante 2), mr. Labordus (voor wat betreft de toepassing van de CRTV) en [gemachtigde] (voor wat betreft de toepassing van de NOW). De minister en het Uwv hebben zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel, werkzaam bij het Uwv.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante 1
1.1.1.
Appellante 1 heeft afzonderlijke aanvragen ingediend voor subsidie op grond van de diverse regelingen in het kader van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW), en wel voor de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche). Bij besluiten van 16 april 2020 (NOW-1), 27 juli 2020 (NOW-2) en 1 december 2020 (NOW3, derde tranche) heeft de minister aan appellante 1 subsidies in de loonkosten op grond van deze regelingen verleend en aan appellante voorschotbedragen van in totaal € 33.943,- verstrekt.
1.1.2.
Appellante 1 heeft bij afzonderlijke aanvragen verzocht de subsidies op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) vast te stellen. Bij besluiten van 30 april 2021 (NOW-1), 6 april 2021 (NOW-2) en 20 september 2022 (NOW-3, derde tranche) heeft de minister de definitieve subsidies op grond van deze NOW-regelingen vastgesteld en bepaald dat appellante per saldo recht heeft op een nabetaling van € 13.585,-.
1.1.3.
In een Rapport van bevindingen van 3 november 2022 heeft het Uwv, onder verwijzing naar een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek (Onderzoeksrapport) van 9 december 2021 inzake [naam betrokkene] (betrokkene), het standpunt ingenomen dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen appellante 1 en betrokkene, zodat geen sprake was van een dienstverband en het loon van betrokkene bij de berekening van de NOW1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) alsnog buiten beschouwing moet worden gelaten.
1.1.4.
Op basis van dit Rapport van bevindingen heeft de minister bij besluiten van 9 november 2022 (NOW-1), 23 november 2022 (NOW-2) en 10 november 2022 (NOW3, derde tranche) de eerdere subsidievaststellingen gewijzigd en heeft in totaal een bedrag van € 6.024,75 van appellante 1 teruggevorderd. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene niet gezien kan worden als werknemer, en dat de minister in de vaststellingsbesluiten ten onrechte is uitgegaan van de door appellante 1 opgevoerde loonsom.
1.1.5.
Bij drie gelijkluidende beslissingen op bezwaar van 12 mei 2023 (bestreden besluiten 1 tot en met 3) heeft de minister de bezwaren van appellante 1 tegen de in 1.1.4 genoemde besluiten ongegrond verklaard.
1.1.6.
Appellante 1 heeft op 11 juni 2021 het Uwv verzocht om compensatie van de door haar aan betrokkene betaalde transitievergoeding. Bij besluit van 20 juli 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante 1 recht heeft op compensatie van de transitievergoeding die aan betrokkene is betaald. De hoogte van de compensatie heeft het Uwv vastgesteld op € 3.755,84.
1.1.7.
In een Rapport van uitval werkgeverszaak van 4 februari 2022 heeft het Uwv, onder verwijzing naar het Onderzoeksrapport van 9 december 2021 inzake betrokkene, het standpunt ingenomen dat geen sprake is geweest van een dienstverband tussen appellante 1 en betrokkene.
1.1.8.
Op basis van dit Rapport van uitval werkgeverszaak heeft het Uwv bij besluit van 2 maart 2022 het in 1.1.6 genoemde besluit van 20 juli 2021 herzien en het betaalde bedrag van € 3.755,84 aan compensatie van appellante 1 teruggevorderd, omdat de compensatie ten onrechte is toegekend.
1.1.9.
Bij beslissing op bezwaar van 3 november 2022 (bestreden besluit 4) heeft het Uwv het bezwaar van appellante 1 tegen het besluit van 2 maart 2022 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is geweest van een dienstverband tussen appellante 1 en betrokkene. Dit betekent dat de gegevens in de aanvraag van appellante 1 met betrekking tot de transitievergoeding van betrokkene, op basis waarvan de toekenning heeft plaatsgevonden, niet juist blijken te zijn. Het Uwv heeft de herziening en de terugvordering gebaseerd op artikel 7:673e van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Appellante 2
1.1.10.
Appellante 2 heeft afzonderlijke aanvragen ingediend voor subsidie op grond van de diverse regelingen in het kader van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW), en wel voor de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde en vierde tranche). Bij besluiten van 11 april 2020 (NOW-1), 27 juli 2020 (NOW-2), 1 december 2020 (NOW-3, derde tranche) en 18 februari 2021 (NOW-3, vierde tranche) heeft de minister aan appellante 2 subsidies in de loonkosten op grond van deze regelingen verleend en aan appellante voorschotbedragen van in totaal € 26.600,- verstrekt.
1.1.11.
Appellante 2 heeft bij afzonderlijke aanvragen verzocht de subsidies op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) vast te stellen. Bij besluiten van 4 februari 2021 (NOW-1), 8 april 2021 (NOW-2) en 10 oktober 2022 (NOW-3, derde tranche) heeft de minister de definitieve subsidies op grond van deze NOW-regelingen vastgesteld en bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling van € 16.184,-.
1.1.12.
In een Rapport van bevindingen van 18 oktober 2022 heeft het Uwv, onder verwijzing naar het Onderzoeksrapport van 9 december 2021 inzake betrokkene, het standpunt ingenomen dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding (en dus niet van een dienstverband) tussen appellante 2 en betrokkene, zodat het loon van betrokkene bij de berekening van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) alsnog buiten beschouwing moet worden gelaten.
1.1.13.
Op basis van dit Rapport van bevindingen heeft de minister bij besluiten van 25 oktober 2022 (NOW-1), 25 oktober 2022 (NOW-2) en 5 december 2022 (NOW-3, derde tranche) de eerdere subsidievaststellingen gewijzigd en heeft in totaal een bedrag van € 12.712,- van appellante 2 teruggevorderd. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene niet gezien kan worden als werknemer, en dat de minister in de vaststellingsbesluiten ten onrechte is uitgegaan van de door appellante 2 opgevoerde loonsom.
1.1.14.
Bij drie gelijkluidende beslissingen op bezwaar van 24 februari 2023 (bestreden besluiten 5 tot en met 7) heeft de minister de bezwaren van appellante 2 tegen de in 1.1.13 genoemde besluiten ongegrond verklaard.
1.1.15.
Appellante 2 heeft verzocht de subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) vast te stellen. Bij besluit van 26 april 2023 heeft de minister de definitieve subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) vastgesteld op € 9.455,-. Daarbij heeft de minister betrokken dat uit onderzoek is gebleken dat betrokkene niet gezien kan worden als werknemer, dat dus ten onrechte bij de verlening van de subsidie is uitgegaan van de door appellante 2 opgevoerde loonsom en dat het loon van betrokkene alsnog buiten de vaststelling wordt gehouden. De minister heeft het teveel betaalde voorschot ten bedrage van € 1.477,- van appellante 2 teruggevorderd.
1.1.16.
Bij beslissing op bezwaar van 6 oktober 2023 (bestreden besluit 8) heeft de minister het bezwaar van appellante 2 tegen het in 1.1.15 genoemde besluit ongegrond verklaard.
1.1.17.
Appellante 2 heeft op 21 april 2021 het Uwv verzocht om compensatie van de door haar aan betrokkene betaalde transitievergoeding. Bij besluit van 27 mei 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante 2 recht heeft op compensatie van de transitievergoeding die aan betrokkene is betaald. De hoogte van de compensatie heeft het Uwv vastgesteld op € 3.352,42.
1.1.18.
In een Rapport van uitval werkgeverszaak van 4 februari 2021 (bedoeld zal zijn 4 februari 2022) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het Onderzoeksrapport van 9 december 2021 inzake betrokkene, het standpunt ingenomen dat geen sprake is geweest van een dienstverband tussen appellante 2 en betrokkene.
1.1.19.
Op basis van dit Rapport van uitval werkgeverszaak heeft het Uwv, bij besluit van 1 maart 2022 het in 1.1.17 genoemde besluit van 27 mei 2021 herzien en het betaalde bedrag van € 3.352,42 aan compensatie van appellante 2 teruggevorderd, omdat de compensatie ten onrechte is toegekend.
1.1.20.
Bij beslissing op bezwaar van 3 november 2022 (bestreden besluit 9) heeft het Uwv het bezwaar van appellante 2 tegen het besluit van 1 maart 2022 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is geweest van een dienstverband tussen appellante 2 en betrokkene. Dit houdt in dat de gegevens in de aanvraag van appellante 2 met betrekking tot de transitievergoeding van betrokkene, op basis waarvan de toekenning heeft plaatsgevonden, niet juist blijken te zijn. Het Uwv heeft de herziening en de terugvordering gebaseerd op artikel 7:673e van het BW.
Aangevallen uitspraak 1 (van 9 juli 2024)
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 8 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kern van het geschil is of sprake is van een dienstbetrekking/gezagsverhouding tussen betrokkene en appellante 2. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de NOW-3 uitsluitend is bedoeld om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten van werknemers. De minister heeft in het bestreden besluit terecht vastgesteld dat voor het begrip werknemer wordt aangesloten bij het begrip werknemer in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Dat is een werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De rechtbank heeft erop gewezen dat zij in een uitspraak van 28 december 2023 [1] – binnen hetzelfde juridische toetsingskader – heeft geoordeeld dat ten tijde van eveneens de onderhavige aanvraag geen sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante 2 en betrokkene en dat zij aldus niet als werknemer in zin van artikel 1, onderdeel o, van de Wfsv kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft in wat appellante 2 heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om anders te oordelen. Ten aanzien van de stelling van appellante dat het onderzoek niet rechtmatig is geweest, heeft de rechtbank eveneens verwezen naar voornoemde uitspraak van 28 december 2023. De rechtbank heeft appellante 2 niet gevolgd voor zover zij betoogt dat de definitieve vaststelling en terugvordering met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. In deze zaak gaat het niet om een uitkering zoals in de zaak van betrokkene in voornoemde uitspraak aan de orde was, maar om subsidie in de vorm van een voorschot.
Aangevallen uitspraak 2 (van 2 april 2025)
2.2.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat voor nagenoeg alle door appellanten aangevoerde argumenten geldt dat er sprake is van een herhaling van eerdergenoemde gronden waarover door deze rechtbank al is beslist in de uitspraken van 28 december 2023 [2] en 9 juli 2024 [3] . Weliswaar heeft de uitspraak van 28 december 2023 betrekking op zaken die zien op andere wetten, maar het geschil in die uitspraak ging ook over de vraag of de werkzaamheden van betrokkene kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden die vallen onder het begrip arbeidsovereenkomst. Wat door appellanten wederom is aangevoerd leidt ook in de thans voorliggende zaken tot geen ander oordeel dan de rechtbank al eerder heeft uitgesproken in de genoemde uitspraken. De rechtbank heeft verwezen naar de kernoverwegingen in deze eerdere uitspraak.
2.3.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de artikelen 16 van de NOW-1, 20 van de NOW-2 en 26 van de NOW-3 en artikel 4:49 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de minister de mogelijkheid bieden om een subsidie die definitief is vastgesteld, in te trekken of ten nadele van de subsidieontvanger te wijzigen. De minister heeft beslissingsruimte om te bepalen of hij van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik zal maken. De rechter moet deze afweging terughoudend toetsen. De rechter heeft de afweging van het belang van een juiste subsidievaststelling en uitbetaling enerzijds, en de individuele gevolgen daarvan voor appellanten anderzijds beoordeeld. Ook heeft de rechtbank beoordeeld of de eventueel nadelige gevolgen van de besluiten niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de besluiten te dienen doelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister in dit geval meer gewicht heeft toegekend aan het algemene belang bij een juiste subsidievaststelling en uitbetaling. De rechtbank heeft de minister daarin gevolgd. De minister heeft betwist dat hij ten tijde van de voorschots- en vaststellingsbeschikkingen bekend was met de functies van betrokkene en dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding. De minister heeft toegelicht dat de beoordeling van zowel de verlening als de vaststelling van de NOW gebeurt op basis van gegevens die zijn opgenomen in de polisadministratie en die door de werkgever aan de Belastingdienst zijn gemeld. Hierbij vindt geen controle plaats op verzekeringsplicht of op functie. In het geval van appellanten zijn die gegevens achteraf onjuist gebleken. De rechtbank heeft overwogen dat zoals hiervoor is geconcludeerd betrokkene niet als werknemer kan worden aangemerkt. Daarmee is het doel en de doelgroep van de subsidie niet bereikt. In deze situatie is het daarom gerechtvaardigd om terug te komen op een vastgestelde subsidie. Het algemene belang bij een juiste subsidievaststelling en uitbetaling is dat publieke middelen zorgvuldig worden besteed. Dat is een legitiem doel waaraan belangrijke betekenis toekomt. Als de minister in het geval van appellanten (geheel of gedeeltelijk) had afgezien van de subsidiewijzigingen en terugvorderingen, hadden appellanten subsidie ontvangen waarop zij op basis van de NOW geen recht hadden gehad. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de NOW een regeling is waarbij snel een zeer groot aantal werkgevers duidelijkheid moest worden verschaft over de aard en de inhoud van de regeling. Er was sprake van een hectische periode vanwege Covid19 waarbij als uitgangspunt gold dat snelheid ten behoeve van het financieel overeind houden van ondernemingen boven grote zorgvuldigheid in de aanvraag- en toekenningsfase ging. Het is een bewuste keuze van de minister geweest om voor het berekenen van de hoogte van de subsidie uit te gaan van de gegevens, zoals vastgelegd in de polisadministratie. Het is ook maatschappelijk gezien niet uit te leggen dat een onrechtmatig verkregen bedrag verkregen uit publieke middelen niet terugvloeit naar die publieke middelen. De minister heeft daarnaast de nadelige gevolgen van de subsidiewijzigingen en terugvorderingen voor appellanten niet onevenredig gevonden. De bestreden besluiten hebben voor appellanten financieel nadelige gevolgen omdat zij minder subsidie krijgen en een deel van het ontvangen voorschot moeten terugbetalen. Er is echter geen aanleiding om in dit geval dit financiële nadeel als onevenwichtig te beoordelen. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodige nadelige gevolgen. Het financiële nadeel is daartoe onvoldoende. De rechtbank is niet gebleken dat de subsidiewijzigingen en terugvorderingen zodanig ingrijpend zijn voor appellanten dat de minister daar geheel of gedeeltelijk van af had moeten zien.
2.4.
De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de intrekking van de toegekende compensatie voor de transitievergoeding artikel 7:673e, vijfde lid, van het BW ten grondslag ligt. Deze bepaling is dwingendrechtelijk geformuleerd. Dit betekent echter niet dat het Uwv altijd tot intrekking moet overgaan als ten onrechte een compensatie is toegekend. Er kan immers sprake zijn van bijzondere omstandigheden, waarbij strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Het is daarbij vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toekomt een gemaakte fout te herstellen, mits de intrekking niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Net als de tegemoetkomingen in het kader van de NOW, zijn ook de transitievergoedingen toegekend in de veronderstelling dat betrokkene werknemer was. Later is gebleken dat dat niet het geval is geweest. Dan is het Uwv in beginsel gehouden de CRTV in te trekken. Dat is ook het geval als de toekenningsbesluiten formele rechtskracht hebben verkregen. Onder verwijzing naar wat is overwogen in de meermaals genoemde uitspraak van 28 december 2023, onder meer in rechtsoverwegingen 28, 29 en 30, heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat appellanten in ieder geval redelijkerwijs hadden kunnen weten dat de toekenningen ten onrechte plaatsvonden. Ook in dit geval is er geen aanleiding om het financiële nadeel als onevenwichtig te beoordelen.
2.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van appellanten op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ook niet slaagt. Voorwaarde voor een op grond van een legitieme verwachting beschermd eigendomsrecht is volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in ieder geval dat de burger te goeder trouw heeft gehandeld en aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. In het voorliggende geval is daarvan niet gebleken. Het bedrag aan NOW-subsidie dat appellanten teveel hebben gekregen en nu wordt teruggevorderd, kan dan ook niet worden aangemerkt als hun eigendom in de zin van artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM.
De standpunten in de NOW-zaken
3.1.
Appellanten zijn het niet eens met de aangevallen uitspraken.
3.1.1.
Appellanten hebben gesteld dat de door de minister aan de besluitvorming ten grondslag gelegde bewijsmiddelen het resultaat zijn van een ongeoorloofde, zelfs antistatelijke inbreuk op verschillende fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht om niet te worden onderworpen aan een onmenselijke en vernederende behandeling (artikel 3 EVRM Pro) en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM Pro en artikel 10 van Pro de Grondwet). Appellanten hebben betoogd dat de door de minister aan de besluitvorming ten grondslag gelegde bewijsmiddelen gelet op het ‘zozeer indruist-criterium’ buiten beschouwing moeten blijven. Appellanten hebben drie getuigen, als onderzoeker of anderszins werkzaam voor het Uwv, opgeroepen ter zitting van de Raad te verschijnen om te horen over de onderzoeken die hebben geleid tot de bestreden besluiten. Deze getuigen zijn niet ter zitting van de Raad verschenen. Ter zitting hebben appellanten de Raad, in het geval deze tot bevestiging van de aangevallen uitspraken zou concluderen, verzocht de zaken te heropenen en de getuigen alsnog zelf op te roepen.
3.1.2.
Appellanten hebben verder herhaald dat wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met betrokkene, en hebben verwezen naar wat zij daarover in de beroepsfase hebben aangevoerd. Zij hebben betoogd dat de rechtbank ten onrechte daaraan voorbij is gegaan.
3.1.3.
Appellanten hebben verder, specifiek in reactie op aangevallen uitspraak 2, gesteld dat de bestreden besluiten 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7 in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM. In dat kader hebben zij erop gewezen dat de minister bij de verlenings- en vaststellingsbesluiten al bekend was met de door hem aan de wijzigingsbesluiten ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Ter onderbouwing daarvan hebben appellanten gewezen op een berekeningsverzoek van 12 januari 2021 en de in de onderzoeksrapporten van 12 oktober 2021 en 2 juli 2024 beschreven interne fraudemelding van 1 maart 2021. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat artikel 4:49 van Pro de Awb van toepassing is, en dat de artikelen 15 van de NOW-1, 19 van de NOW-2 en 25 van de NOW-3 (bedoeld zal zijn de artikelen 16 NOW-1, 20 NOW-2 en 26 NOW-3) buiten toepassing moeten blijven, voor zover daaruit mocht volgen dat de minister bevoegd is tot terugvordering van al toegekende en uitgekeerde subsidie, terwijl de minister op het moment van het toekennen, uitkeren en vaststellen van de subsidie bekend was met de bedoelde feiten en omstandigheden.
3.2.
De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.
De standpunten in de CRTV-zaken
4.1.
Appellanten hebben, onder verwijzing naar hun gronden in de procedures die zien op de intrekking van de uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) en Wet Arbeid en Zorg (WAZO) en de herziening van de WIA-uitkering, gesteld dat de arbeidsverhouding met betrokkene ten onrechte niet als een arbeidsovereenkomst is gekwalificeerd. Verder hebben appellanten erop gewezen dat in april 2019 al een interne fraudemelding is gedaan, waarin expliciet wordt gewezen op twijfels over de dienstbetrekking van betrokkene. Volgens appellanten betekent dit dat het Uwv bij de intrekking en terugvordering van de transitievergoeding ten onrechte niet heeft meegewogen dat het bij de toekenning van de transitievergoeding in mei 2021 en juli 2021 al op de hoogte was van de omstandigheden op grond waarvan begin 2022 het standpunt is ingenomen dat geen sprake was van een dienstbetrekking. Nu desondanks de vergoedingen zijn toegekend, is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, maar van een herwaardering van al bekende informatie. In een dergelijke situatie is het Uwv volgens appellanten niet zonder meer bevoegd om een begunstigend besluit met terugwerkende kracht in te trekken. Daarbij blijkt niet dat het Uwv bij de intrekking en terugvordering van de compensatie transitievergoeding een kenbare en zelfstandige belangenafweging heeft gemaakt. Het Uwv heeft volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van verzekeringsplicht, zonder te beoordelen of intrekking na een bewuste toekenning, niet onevenredig is.
4.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
De toepasselijke bepalingen uit de NOW-1, NOW-2, NOW-3, de Awb, het EP bij het EVRM en het BW zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
De gronden over de rechtmatigheid van het onderzoek en het bestaan van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen tussen appellanten en betrokkene, zijn, met grotendeels gelijkluidende argumenten, ook aangevoerd in de zaken 24/114 ZW en volgende. In deze zaken is heden uitspraak gedaan. Onder verwijzing naar en met overneming van wat in 8 en 9 in die uitspraak is geoordeeld, wordt in onderhavige zaken als uitgangspunt genomen dat geen sprake is van een onrechtmatig onderzoek en dat geen sprake was van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen tussen appellanten en betrokkene. Het ter zitting gedane verzoek van appellanten om de door hen opgeroepen getuigen alsnog te horen wordt afgewezen, nu het horen van deze getuigen redelijkerwijs niet kan leiden tot een andere uitkomst van de zaken.
NOW
6.1.
De minister heeft de eerdere subsidievaststellingen op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) van appellanten op grond van artikel 4:49 van Pro de Awb gewijzigd. Daarnaast heeft de minister de definitieve subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) van appellante 2 op grond van artikel 4:46 van Pro de Awb lager vastgesteld. De besluitvorming van de minister zal op grond daarvan hieronder (onder 6.3 en 6.5) afzonderlijk worden besproken.
6.2.
Appellanten hebben betoogd dat de minister al vanaf 12 januari 2021 bekend was met het feit dat betrokkene in haar arbeidsverhoudingen met appellanten niet werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Ter onderbouwing daarvan hebben appellanten gewezen op een berekeningsverzoek van 12 januari 2021 en de uit de onderzoeksrapporten van 12 oktober 2021 en 2 juli 2024 blijkende interne fraudemelding van 1 maart 2021. De Raad volgt dit betoog niet. De Raad deelt het (ter zitting ingenomen) standpunt van de minister dat de datum van 12 januari 2021 een kennelijke verschrijving is en dat het berekeningsverzoek dateert van 12 januari 2022. Dat het berekeningsverzoek niet kan dateren van 12 januari 2021 blijkt al uit het feit dat het ziet op de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering van betrokkene en betrokkene eerst vanaf 1 april 2021 recht had op een WIA-uitkering. Bovendien wordt in dit berekeningsverzoek verwezen naar een berekeningsverzoek ZW/WAZO. Dit berekeningsverzoek, waarmee de Raad (uit de stukken in de zaken 24/114 ZW en volgende) ambtshalve bekend is, is gedateerd op 12 januari 2022. Verder is de interne fraudemelding van 1 maart 2021 niet dermate concreet dat de minister al op basis daarvan bekend was met het feit dat betrokkene niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Deze interne fraudemelding van 1 maart 2021 is immers juist de aanleiding geweest voor een uitgebreid onderzoek naar de kwalificatie van de arbeidsverhoudingen van betrokkene en de vraag of zij wel verplicht verzekerd was op grond van de ZW, WAZO en WIA. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het (al eerdergenoemde) Onderzoeksrapport van 9 december 2021. Pas daarin heeft het Uwv geconcludeerd dat betrokkene in haar arbeidsverhoudingen bij appellanten niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst.
Wijziging subsidies op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) van appellanten
6.3.1.
Uit artikel 14, vijfde lid, van de NOW-1, artikel 18, zesde lid, van de NOW-2 en artikel 24, vijfde lid, van de NOW-3 volgt dat de minister de subsidie vaststelt aan de hand van de berekeningswijze neergelegd in artikel 7 van Pro de NOW-1, artikel 8 van Pro de NOW-2 en in artikel 16 van Pro de NOW-3. In het eerste lid van deze artikelen is een formule opgenomen. Een van de elementen in de berekening is de loonsom. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 wordt verstaan onder loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer, en onder werknemer: een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o of p, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Artikel 1, onderdeel o, van de Wfsv bepaalt dat wordt verstaan onder werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Na de conclusie van het Uwv in het Onderzoeksrapport van 9 december 2021 dat betrokkene niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst in de arbeidsverhoudingen met appellanten, en dus niet aangemerkt kon worden als werknemer in de zin van de Wfsv, is de minister bij de onderhavige wijzigingen van de subsidies op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) terecht uitgegaan van een loonsom waarin betrokkene niet was opgenomen.
6.3.2.
Omdat het in deze zaken om de wijziging van subsidie gaat, zijn, naast de bepalingen van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche), ook de bepalingen uit titel 4.2 van de Awb van toepassing. Op grond van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien sprake is van één van de (limitatief) genoemde situaties.
6.3.3.
De minister was bevoegd om met de besluiten van 9 november 2022 (NOW1 van appellante 1), 23 november 2022 (NOW-2 van appellante 1), 25 oktober 2022 (NOW-1 en NOW-2 van appellante 2) de subsidievaststelling te wijzigen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad is sprake van feiten of omstandigheden waarvan de minister bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld. Daartoe geldt dat de besluiten waarbij de subsidie eerder was vastgesteld dateren van 30 april 2021 (NOW-1 van appellante 1), 6 april 2021 (NOW-2 van appellante 1), 4 februari 2021 (NOW-1 van appellante 2) en 8 april 2021 (NOW-2 van appellante 2). Deze data zijn gelegen voor de datum van het Onderzoeksrapport van 9 december 2021, waarin het Uwv heeft geconcludeerd dat betrokkene niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Als de minister op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat betrokkene niet werkzaam was geweest op basis van een arbeidsovereenkomst, zou de minister de subsidie op grond van de NOW-1 en NOW-2 lager hebben vastgesteld dan overeenkomstig de subsidieverlening. De minister zou dan immers zijn uitgegaan van een loonsom waarin betrokkene niet was opgenomen.
6.3.4.
De minister was bevoegd om met de besluiten van 10 november 2022 (NOW-3, derde tranche, van appellante 1) en 5 december 2022 (NOW-3, derde tranche, van appellante 2) de subsidievaststelling te wijzigen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb op de grond dat de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Daartoe geldt dat de besluiten waarbij de subsidie eerder was vastgesteld dateren van 20 september 2022 (NOW-3, derde tranche, van appellante 1) en 10 oktober 2022 (NOW-3, derde tranche, van appellante 2). Deze data zijn gelegen na de datum van het Onderzoeksrapport van 9 december 2021, waarin het Uwv heeft geconcludeerd dat betrokkene niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Appellanten waren er, door de op het Onderzoeksrapport van 9 december 2021 gevolgde besluitvorming begin 2022 inzake de ZW-, WAZO- en WIA-uitkering van betrokkene, van op de hoogte dat het Uwv zich inmiddels op het standpunt stelde dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen appellanten en betrokkene. Nu de minister appellanten bij besluiten van 1 december 2020 subsidie op grond van de NOW-3, derde tranche, had verleend op basis van een loonsom waarin (toen nog onbetwist) betrokkene was opgenomen en in de vaststellingsbesluiten van 20 september 2022 en 10 oktober 2022 de in aanmerking genomen loonsom (nagenoeg) niet was gewijzigd, wisten appellanten dat de subsidievaststelling wat betreft de NOW-3, derde tranche, onjuist was of behoorden zij dat te weten.
6.3.5.
Wat appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de eerder vastgestelde subsidies op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche) later alsnog ten nadele van appellanten te wijzigen en de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terug te vorderen.
6.4.1.
Appellanten hebben gesteld dat de bestreden besluiten 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7 in strijd zijn met het artikel 1 van Pro het EP.
6.4.2.
In de eerste twee volzinnen van artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM is bepaald dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom (‘possessions’). Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Onder het begrip ‘possessions’ in genoemd artikel moeten volgens de rechtspraak van het EHRM niet alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij tenminste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd.
6.4.3.
Volgens de rechtspraak van het EHRM moet de vraag of sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. [4]
6.4.4.
In de uitspraak van 24 november 2022 [5] is de Raad ingegaan op de in de rechtspraak van het EHRM over artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM genoemde en van belang zijnde feiten en omstandigheden. Voor de onderhavige zaak behoort tot de relevante omstandigheden onder meer of de betrokkene redelijkerwijs kon vermoeden dat een te hoog bedrag was toegekend.
6.4.5.
In 5.3 heeft de Raad, onder verwijzing naar en met overneming van wat in 9 is overwogen in de uitspraak in de zaken 24/114 ZW en volgende, waarin heden uitspraak is gedaan, geconcludeerd dat in onderhavige zaken uitgangspunt is dat geen sprake was privaatrechtelijke dienstbetrekkingen tussen appellanten en betrokkene. Gelet op wat in die uitspraak in 9.5.3 en 9.5.4 (ten aanzien van appellante 1) en in 9.5.12 en 9.5.13 (ten aanzien van appellante 2) over de ontbrekende gezagsverhouding is overwogen, kan bij appellanten geen sprake zijn geweest van een gerechtvaardigde verwachting dat sprake was van een arbeidsovereenkomst met betrokkene en dat zij daarom recht hadden op een subsidie voor haar loonkosten. De bedragen aan subsidie die appellanten teveel hebben gekregen, kunnen dan ook niet worden aangemerkt als hun eigendom in de zin van artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM. De bestreden besluiten 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7 leveren dus geen inmenging op in een beschermd eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM.
Lagere vaststelling subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) van appellante 2
6.5.1.
Uit artikel 24, vijfde lid, van de NOW-3 volgt dat de minister de subsidie van de vierde tranche vaststelt aan de hand van de berekeningswijze bedoeld in artikel 19 van Pro de NOW-3. Artikel 19, eerste lid, van de NOW-3 geeft een formule voor de berekening van de hoogte van de subsidie, waarin ook de loonsom is opgenomen. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de NOW-3 wordt verstaan onder loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer en onder werknemer: een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o of p, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Artikel 1, onderdeel o, van de Wfsv bepaalt dat wordt verstaan onder werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Na de conclusie van het Uwv in het Onderzoeksrapport van 9 december 2021, dat betrokkene niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst in de arbeidsverhoudingen met appellanten, en dus niet meer aangemerkt kon worden als werknemer in de zin van de Wfsv, is de minister bij de vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-3 terecht uitgegaan van een loonsom waarin betrokkene niet was opgenomen.
6.5.2.
De minister was bevoegd om de subsidie op grond van de NOW-3 (derde tranche) lager vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb op de grond dat de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Wat appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) lager vast te stellen dan bij de verlening en het onverschuldigd betaalde subsidiebedrag terug te vorderen.
CRTV
7.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat de herziening en terugvordering van de compensatie transitievergoeding in strijd is met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel.
7.2.
Zoals blijkt uit 5.3 is de Raad van oordeel dat betrokkene bij appellanten niet werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Naar vaste rechtspraak [6] is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Uit de artikelen 7:673 en 7:673e van het BW blijkt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst een voorwaarde is voor (het recht op compensatie van) een transitievergoeding. Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen dat niet is voldaan aan deze voorwaarde. Gelet hierop was het Uwv op grond van artikel 7:673e, vijfde lid, van het BW verplicht de besluiten tot toekenning van de vergoeding te herzien, omdat (na onderzoek is gebleken dat) de vergoedingen ten onrechte zijn toegekend en de onverschuldigd betaalde vergoedingen terug te vorderen.
7.3.
Artikel 7:673e, vijfde lid, van het BW is een dwingendrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet zich in zijn algemeenheid tegen toetsing van een wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. Toepassing van de wettelijke bepaling blijft echter achterwege als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor een andere uitkomst nodig is dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [7]
7.4.
Die situatie doet zich hier niet voor. Daartoe wordt verwezen naar de tekst van de artikelen 7:673 en 7:673e van het BW, waaruit al blijkt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest dat voor het recht op (compensatie van) een transitievergoeding sprake dient te zijn van een arbeidsovereenkomst. Het Uwv is bij de besluiten van 20 juli 2021 (appellante 1) en 27 mei 2021 (appellante 2), waarin is beslist dat appellanten recht hebben op compensatie van de transitievergoeding, (terecht) uitgegaan van de in de polisadministratie aanwezige gegevens. Op dat moment was het Uwv al wel bezig met een onderzoek naar de vraag of betrokkene werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst, maar was de besluitvorming daarover nog niet afgerond. Eerst in het Onderzoeksrapport van 9 december 2021 heeft het Uwv geconcludeerd dat – anders dan aanvankelijk was aangenomen – geen sprake was van arbeidsovereenkomsten tussen appellanten en betrokkene. Omdat de vergoedingen ten onrechte waren toegekend, was het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde vergoedingen terug te vorderen. Met deze gang van zaken is geen sprake van niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden op grond waarvan artikel 7:673e, vijfde lid, van het BW buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Tot slot geldt nog dat is gesteld noch is gebleken dat sprake is van zwaarwegende redenen om de terugvordering te matigen.

Conclusie en gevolgen

8. Uit 5.3 tot en met 7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd. Dit betekent dat de wijzigingen en terugvorderingen van de NOW-1 tot en met NOW-3 (derde tranche) wat betreft appellanten 1 en 2, de vaststelling en terugvordering van de NOW-3 (vierde tranche) wat betreft appellante 2 en de herziening en terugvordering van de compensatie transitievergoeding wat betreft appellanten 1 en 2 in stand blijven. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente, zodat het daartoe strekkende verzoek van appellanten zal worden afgewezen.
9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraken;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1, eerste lid, van de NOW-1, NOW-2, NOW-3, voor zover hier van belang:
In deze regeling wordt verstaan onder:
loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer
werknemer: een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o of p, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
Artikel 7, eerste lid, van de NOW-1, voor zover hier van belang
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,3 x 0,9
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de constante B*, zoals berekend op grond van artikel 10, met dien verstande dat: (..)
Artikel 14, vijfde lid, van de NOW-1, voor zover hier van belang:
De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7.
Artikel 8, eerste lid, van de NOW-2, voor zover hier van belang:
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 4 x 1,4 x 0,9
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid
Artikel 18, zesde lid, van de NOW-2, voor zover hier van belang:
De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 8,
Artikel 16, eerste lid, van de NOW-3, voor zover hier van belang
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,4 x 0,8
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid,
Artikel 19, eerste lid, NOW-3, voor zover hier van belang,
De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,4 x 0,85
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat:
Artikel 24, vijfde lid, van de NOW-3, voor zover hier van belang:
De subsidies worden vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 16, 19 of 22.
Artikel 25 van Pro de NOW-3
Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 12, 13 of 14, is voldaan.
Artikel 4:46, eerste en tweede lid, van de Awb
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast;
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
e subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
Artikel 4:49, eerste lid, van de Awb
1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of
indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Artikel 4:95, eerste en vierde lid, van de Awb
1. Het bestuursorgaan kan vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
4. Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.
Artikel 1 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover hier van belang
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
o. werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Eerste Protocol bij het EVRM
Artikel 1 (in de Nederlandse vertaling):
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boete te verzekeren.
Artikel 610, eerste lid, van boek 7 van het BW
De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
Artikel 673, boek 7 van het BW luidt ten tijde en voor zover hier van belang:
1. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien:
a. de arbeidsovereenkomst:
1° door de werkgever is opgezegd;
2° op verzoek van de werkgever is ontbonden; of
3° na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden.
b. de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever:
1° door de werknemer is opgezegd;
2° op verzoek van de werknemer is ontbonden; of
3° na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet.
Artikel 673e, boek 7 van het BW luidt, voor zover van belang:
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek van de werkgever die op grond van artikel 673 een Pro transitievergoeding verschuldigd was, een vergoeding, indien de arbeidsovereenkomst:
a. na de periode, bedoeld in artikel 670, lid 1, onderdeel a, en lid 11:
1° is beëindigd omdat de werknemer wegens ziekte of gebreken niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten; of
2° van rechtswege is geëindigd en de werknemer op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, wegens ziekte of gebreken niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten.
(…)
3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing, indien de werkgever op grond van artikel 673 een Pro transitievergoeding verschuldigd zou zijn als de arbeidsovereenkomst, die bij overeenkomst is beëindigd, door opzegging of door ontbinding zou zijn beëindigd.
(…)
5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen herziet het besluit tot toekennen van de vergoeding, indien de vergoeding ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend. De onverschuldigd betaalde vergoeding wordt teruggevorderd en kan vervolgens bij dwangbevel worden ingevorderd.

Voetnoten

1.In de zaken met nummers AMS 22/5157, 22/5161, 22/5163, 22/5164, 22/5406, 23/165, 23/178, 23/181, 23/2060, 23/2077, 23/2081, 23/2083, 23/2192 en 23/6349, ECLI:NL:RBAMS:2023:8510.
2.Rb. Amsterdam 28 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8510.
3.Rb. Amsterdam 9 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5596.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het EHRM van 26 april 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0426JUD004892113 (Cakarevic/Kroatië) en van het EHRM van 11 februari 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0211JUD000489313 (Casarin/Italië).
5.CRvB 24 november 2022, ECLI:CRVB:2022:2565.
6.Zie bijvoorbeeld CRvB 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785.
7.Zie CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622, en ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 (overwegingen 9.11 tot en met 9.14).