Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:772

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/1702 TBSH
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GrondwetArt. 14 EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 26 IVBPRArt. 3 TBSH
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming TBSH wegens niet voldoen aan leeftijdsvoorwaarde

Appellant, geboren in Europees Nederland in 1955 uit in Suriname geboren ouders, verhuisde in 1971 vanuit Suriname naar Nederland, voordat Suriname in 1975 onafhankelijk werd. Hij vroeg een tegemoetkoming aan op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de leeftijdsvoorwaarde dat hij achttien jaar of ouder moest zijn bij het moment van vestiging in Nederland.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. De rechtbank oordeelde dat de leeftijdsvoorwaarde een politiek-bestuurlijke afweging betreft die gerespecteerd moet worden, mede vanwege het begunstigende karakter van het TBSH en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die het besluit onredelijk maken.

Appellant stelde dat de leeftijdsvoorwaarde leidt tot ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en strijd met het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverboden in de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. De Raad oordeelde dat de leeftijdsvoorwaarde binnen de ruime beoordelingsmarge van de regelgever valt en niet onredelijk bezwarend is. Er is geen sprake van strijd met genoemde bepalingen.

De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De leeftijdsvoorwaarde wordt gezien als een objectieve, redelijke maatregel die een bewuste keuze bij verhuizing naar Nederland veronderstelt en is passend binnen het doel van het TBSH als gebaar van erkenning.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming op grond van het TBSH wordt bevestigd vanwege niet voldoen aan de leeftijdsvoorwaarde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1702 TBSH
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2025, 24/6680 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
Datum uitspraak: 11 juni 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van appellant om een tegemoetkoming op grond van het TBSH. Appellant is vanuit Suriname naar Nederland verhuisd voordat Suriname op 25 november 1975 onafhankelijk werd. Op zijn aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat hij jonger was dan achttien jaar toen hij in 1971 vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. De Raad oordeelt dat deze afwijzing stand houdt. De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH kan in het algemeen de hier aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan en toepassing van deze voorwaarde is in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend. Van strijd met artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 1 van Pro de Grondwet of artikel 26 van Pro het IVBPR is geen sprake.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. G.E. Eind en mr. P. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.
1.1.
Appellant is op [geboortedatum] 1955 in Europees Nederland geboren uit in Suriname geboren ouders. Hij is in augustus 1971 (opnieuw) in Europees Nederland komen wonen en woonde daar op 25 november 1975 nog steeds.
1.2.
Appellant heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Bij besluit van 23 augustus 2024, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 oktober 2024, is afwijzend op deze aanvraag beslist. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde in het TBSH dat hij achttien jaar of ouder was op het moment dat hij in Nederland kwam wonen. Volgens de minister bestaat er geen ruimte om af te wijken van de in het TBSH gestelde voorwaarden en worden hierop ook geen uitzonderingen gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de leeftijdsgrens in het TBSH te verruimen of wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. Volgens de rechtbank ligt aan de in het TBSH gestelde leeftijdsvoorwaarde een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag die de rechtbank heeft te respecteren. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister, het onverplichte en begunstigende karakter van het TBSH (dat is bedoeld als een gebaar van erkenning voor een geselecteerde groep ouderen van Surinaamse afkomst) en de in dat verband dwingend vastgestelde toekenningsvoorwaarden, die de terughoudende toets kunnen doorstaan. Ook is volgens de rechtbank in het concrete geval van appellant niet gebleken van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor de periode tot de onafhankelijkheid van Suriname geen korting is toegepast op het AOWpensioen van appellant. Het gelijkheidsbeginsel is volgens de rechtbank niet geschonden omdat niet aannemelijk is gemaakt dat een ander in precies dezelfde situatie – die ook nog geen achttien jaar was toen hij in Nederland ging wonen – wel het eenmalige bedrag toegekend heeft gekregen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat toepassing van de in artikel 3, eerste lid, sub c, van het TBSH opgenomen leeftijdsvoorwaarde leidt tot ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van iemand die op 18-jarige leeftijd in Suriname voor Nederland kiest en daarna verhuist, ten opzichte van iemand die op 18-jarige leeftijd in Nederland woont en daar de keuze voor Nederland maakt. Dit levert volgens appellant strijd op met artikel 1 van Pro de Grondwet, artikel 14 van Pro het Europees verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Ook levert dit een onevenredige benadeling op van de laatstgenoemde groep.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daartoe heeft de minister benadrukt dat het TBSH voorziet in een financieel gebaar zonder dat daartoe een juridisch bindende verplichting bestond en dat de doelgroep van het TBSH door de regelgever scherp en dwingend is afgebakend met objectieve criteria die eenvoudig zijn te hanteren om zo ongewenste uitbreidingen van de doelgroep te voorkomen en een snelle uitvoering van het TBSH te bevorderen. Gelet op die context ziet de minister geen ruimte om uitzonderingen te maken op de vereisten van artikel 3 TBSH Pro. Er is volgens de minister geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het TBSH beoogt iemand slechts in aanmerking te laten komen voor het eenmalige bedrag indien die persoon zich vanuit Suriname in Nederland heeft gevestigd in verband met de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Om in aanmerking te komen voor het eenmalig bedrag moet de persoon onder meer achttien jaar of ouder zijn geweest op het moment van de verhuizing naar Nederland. Uit de nota van toelichting volgt dat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest (Stb. 2023, nr. 386, pagina’s 8 en 9). De gedachte daarachter is dat er bij deze leeftijd van kan worden uitgegaan dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen, aldus de minister. Aan deze voorwaarde wordt alleen voldaan door mensen die de Nederlandse nationaliteit zouden verliezen door in Suriname te blijven. Appellant bevond zich bij zijn keuze om in Nederland te blijven dus niet in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie van de personen die de doelgroep van het TBSH vormen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Juridisch kader
5.1.
Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiekbestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van Pro het TBSH.
5.2.
Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van achttien jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Dit is bepaald in artikel 3 van Pro het TBSH.
De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH
5.3.
Tussen partijen is in geschil of de leeftijdsvoorwaarde in het TBSH aan appellant mag worden tegengeworpen. Appellant heeft, kort samengevat, gesteld dat toepassing van de leeftijdsvoorwaarde ongerechtvaardigde ongelijke behandeling meebrengt, die in strijd is met de discriminatieverboden neergelegd in de Grondwet, het EVRM en het IVBPR, en een onevenredig nadeel voor een kleine groep oplevert.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod
5.4.
Artikel 14 van Pro het EVRM (in verbinding met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol) en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM verplichten ertoe, gelijke gevallen gelijk te behandelen en ongelijke gevallen ongelijk naar hun mate van ongelijkheid.
5.5.
Volgens appellant is de situatie van iemand die op 18-jarige leeftijd in Nederland woont en daar de keuze voor Nederland maakt, vergelijkbaar met de situatie van iemand die op 18-jarige leeftijd in Suriname voor Nederland kiest en daarna verhuist, en worden deze gevallen ten onrechte verschillend behandeld. Voor zover appellant al moet worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van vergelijkbare gevallen, geldt het volgende.
5.6.
Volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van Pro het EVRM discriminerend als dit niet objectief gerechtvaardigd is. Een onderscheid is niet objectief gerechtvaardigd als daarmee geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd. Het is ook niet objectief gerechtvaardigd als de middelen om dat doel te bereiken niet in een redelijke verhouding staan tot het doel. [1]
5.7.
Verder geldt dat de verdragsstaten bij het EVRM beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of, en in welke mate, verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is onder andere afhankelijk van de regelgeving die wordt beoordeeld en van de aard van het gemaakte onderscheid. Daarbij geldt dat de verdragsstaten bij het treffen van maatregelen op het terrein van de sociale zekerheid in het algemeen een ruime beoordelingsmarge toekomt. [2] Dat is in dit geval, waarin het gaat om de toekenning van een financiële tegemoetkoming als gebaar van erkenning van de door een specifieke groep personen ervaren pijn voortvloeiend uit de toepassing van het systeem van de AOW, niet anders.
5.8.
Appellant beroept zich op de ‘open norm’ van artikel 14 van Pro het EVRM. Het criterium dat appellant ter discussie stelt – kort gezegd de woon- of verblijfplaats waar iemand de keuze maakte voor Nederland en het Nederlanderschap – betreft geen aangeboren kenmerk of anderszins inherent verdacht criterium, zoals geslacht, ras of andere persoonlijke karakteristieken. Dat betekent dat een zogenoemde ‘very weighthy reasons’-toets niet aan de orde is. [3]
5.9.
Met de leeftijdsvoorwaarde die aanknoopt bij het tijdstip waarop een persoon in Nederland ging wonen voor toekenning van de TBSH-tegemoetkoming, heeft de regelgever de hem toekomende, onder 5.7 omschreven ruime beoordelingsmarge niet overschreden. De achterliggende gedachte dat sprake moet zijn van een verhuisbeweging op een leeftijd waarop sprake is van een bewuste keuze in verband met het verliezen van het Nederlanderschap bij voortgezet verblijf in Suriname, is voldoende onderbouwing. Daarbij komt dat, gelet op die ruime beoordelingsmarge, de door appellant ingeroepen discriminatieverboden niet vergen dat in een regeling als het TBSH elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen. [4]
5.10.
Dit betekent dat de toepassing van de leeftijdsvoorwaarde niet in strijd komt met artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Er is in dit geval geen grond om bij toetsing aan het discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 1 van Pro de Grondwet en artikel 26 van Pro het IVBPR andere, strengere maatstaven aan te leggen dan hiervoor bij de toetsing aan artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM zijn gehanteerd. [5] Het beroep van appellant op deze bepalingen slaagt dus ook niet.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel
5.11.
Met betrekking tot het beroep van appellant op het evenredigheidsbeginsel ziet de Raad zich gesteld voor twee vragen: de vraag of de keuze om het recht op de tegemoetkoming op grond van het TBSH afhankelijk te stellen van de in artikel 3, eerste lid, aanhef en sub c, TBSH opgenomen leeftijdsvoorwaarde, in algemene zin de rechterlijke toetsing doorstaat (exceptieve toets) en, als dit het geval is, de vraag of het bestreden besluit in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend uitpakt (concrete toetsing). In zijn uitspraak van 9 april 2026 [6] heeft de Raad geoordeeld dat de leeftijdsvoorwaarde van artikel 3, aanhef en onder c van het TBSH de hier aan te leggen zeer terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan. Een dergelijke leeftijdsvoorwaarde is niet zeer duidelijk ongeschikt of niet noodzakelijk, gelet op de doelgroep die de regelgever voor ogen had. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH niet in algemene zin onverbindend is.
5.12.
Vervolgens moet worden beoordeeld of toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in het concrete geval van appellant niet in strijd komt met het recht. Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval. Aan de leeftijdsvoorwaarde is onlosmakelijk verbonden dat degene die hieraan niet voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Dit is het resultaat dat met het stellen van deze voorwaarde wordt nagestreefd. Er is niet gebleken dat die voorwaarde in het geval van appellant nadeliger uitpakt dan door de regelgever is beoogd of om andere redenen onredelijk bezwarend is.

Conclusie en gevolgen

5.13.
Uit 5.1 tot en met 5.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het TBSH in stand blijft.
5.14.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Uitspraak van de Raad van 8 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:803.
2.Uitspraak van de Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:425.
3.Vergelijk de uitspraken van de Raad van 25 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1210, r.o. 4.10, en van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:304, r.o. 4.3.
4.Vergelijk Europees Hof voor de Rechten van de Mens 16 maart 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0316JUD004218405 (
5.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 25 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1210, r.o. 4.14.
6.Uitspraak van de Raad van 9 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:359 r.o. 9.9 en r.o. 9.11.