ECLI:NL:CRVB:2026:790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget voor tijdelijk verblijf in buitenland wegens eerdere pgb-verplichtingsschendingen
Appellante, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), had in 2018 en 2019 een pgb ontvangen waarbij haar moeder was aangewezen als gewaarborgde hulp. Deze pgb's zijn ingetrokken vanwege het niet naleven van de pgb-verplichtingen, wat door de Raad in een eerdere uitspraak is bevestigd.
In mei 2023 vroeg appellante opnieuw een tijdelijk pgb aan voor zorg tijdens een vakantie in het buitenland, wederom met haar moeder als gewaarborgde hulp. Het zorgkantoor wees deze aanvraag af op grond van eerdere schendingen, ongeschiktheid van de moeder als gewaarborgde hulp, eerdere tekortkomingen van de moeder als vertegenwoordiger, en het niet aanleveren van benodigde documenten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de weigering terecht was op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, dat het pgb weigert bij eerdere niet-naleving van verplichtingen. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die toepassing van deze dwingendrechtelijke bepaling konden verhinderen.
De Raad wees erop dat de wetgever expliciet fraude en oneigenlijk gebruik wil voorkomen en dat er geen uitzondering geldt voor tijdelijk verblijf in het buitenland. Bovendien had het zorgkantoor een redelijke oplossing geboden door een andere vertegenwoordiger dan de moeder te accepteren, maar appellante ging hier niet op in.
Het hoger beroep werd afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor tijdelijk verblijf in het buitenland wordt bevestigd vanwege eerdere schendingen van pgb-verplichtingen.