ECLI:NL:CRVB:2026:790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget voor tijdelijk verblijf in het buitenland wegens eerdere pgb-verplichtingen
Appellante, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), vroeg een tijdelijk persoonsgebonden budget (pgb) aan voor zorg tijdens een verblijf in het buitenland. Eerder waren haar pgb's ingetrokken vanwege het niet naleven van verplichtingen, wat door de Raad in 2023 was bevestigd.
Het zorgkantoor wees de aanvraag af op grond van eerdere schendingen van pgb-verplichtingen, ongeschiktheid van de voorgestelde gewaarborgde hulp (haar moeder) en het niet aanleveren van benodigde documenten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
In hoger beroep stelde appellante dat de weigering onterecht was, onder meer omdat de wet geen uitzondering maakt voor tijdelijk verblijf in het buitenland. De Raad oordeelde dat de wetgever juist rekening heeft gehouden met dergelijke situaties en dat fraude ook dan kan voorkomen. Bovendien bood het zorgkantoor een alternatief aan met een andere vertegenwoordiger, wat appellante niet accepteerde.
De Raad concludeerde dat de weigering terecht was en bevestigde het bestreden besluit. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door L.M. Tobé en uitgesproken op 17 juni 2026.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een tijdelijk pgb in het buitenland wordt bevestigd vanwege eerdere schendingen van pgb-verplichtingen.