Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:795

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
25/1175 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1a:1 WajongArtikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, WajongArtikel 1a:1, tweede lid, WajongArtikel 1a:1, vierde lid, Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen

Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Het UWV weigerde deze uitkering omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak, wat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onjuiste aannames deed en onvoldoende rekening hield met zijn medische situatie.

De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, omdat er een redelijke kans op verbetering bestaat door behandeling van onder meer PTSS, PNEA en sociale angststoornis. De Raad onderschrijft het beoordelingskader van het UWV en het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig zijn uitgevoerd.

De Raad wijst erop dat duurzaamheid betekent dat mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Het UWV hoeft niet te bewijzen dat arbeidsvermogen zal terugkeren, maar moet aannemelijk maken dat dit niet is uitgesloten. Appellant heeft onvoldoende medische stukken overgelegd die het oordeel van het UWV ondermijnen.

De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 juni 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat het arbeidsvermogen van appellant niet duurzaam ontbreekt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1175 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2025, 24/5514 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op 21 oktober 2022 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen omdat het arbeidsvermogen bij appellant niet duurzaam ontbreekt.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 april 2026. Voor appellant is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 2000, heeft met een door het Uwv op 21 oktober 2022 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een bloedonderzoek in het jaar 2022 in Duitsland. Na een aanvankelijke afwijzing heeft het Uwv de Wajong-aanvraag van appellant (weer) in behandeling genomen. Het Uwv heeft medische informatie ontvangen van onder meer neurologen, neurochirurgen en het Epilepsiecentrum uit de jaren 2009 tot en met 2022. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Daarbij is geconcludeerd dat appellant weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 24 april 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 11 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 24 april 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank [1]
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten, onder de bepaling dat het Uwv het griffierecht aan appellant moet vergoeden en onder veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant. Dit omdat appellant terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De door appellant ingediende brief van de GZ-psycholoog van 30 oktober 2024 verandert dat oordeel niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 november 2024 toegelicht dat de informatie in die brief grotendeels overeenkomt met de informatie die al bekend was in bezwaar. De GZ-psycholoog heeft het in die brief namelijk over dezelfde medische problematiek en dezelfde behandeling. Hij zou slechts een andere instantie geschikter vinden om de behandeling uit te voeren. Dat de verzekeringsartsen geen contact hebben opgenomen met de behandelaars van appellant, leidt evenmin tot een ander oordeel, omdat er veel schriftelijke informatie van de verschillende behandelaars voorhanden was. Deze informatie is meegewogen door de verzekeringsartsen.
2.2.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat appellant een progressieve aandoening heeft. Uit zijn rapport blijkt namelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was met de diagnose ‘fotosensitieve progressieve myoclonale epilepsie’, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij dat bij zijn overwegingen over de duurzaamheid van het gebrek aan arbeidsvermogen heeft betrokken. Dat de ingezette behandelingen tot op heden niet hebben geleid tot verbetering van het arbeidsvermogen, maakt niet dat de inschatting van de duurzaamheid op de beoordelingsdatum onjuist is geweest. Verder heeft appellant niet met medische stukken onderbouwd dat zijn lage IQ in de weg staat aan het verbeteren van werknemersvaardigheden, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij is gegaan.
2.3.
Appellant heeft verwezen naar uitspraken van rechtbanken uit 2020 en 2021. Dit leidt niet tot een ander oordeel. De Raad hanteert momenteel de lijn dat het Uwv niet hoeft te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen, maar wel aannemelijk moet maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Zelfs in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, kan voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. Aan die toets heeft het Uwv voldaan.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
De rechtbank is in haar beoordeling van het bestreden besluit onkritisch meegegaan met de lezing van het Uwv, terwijl die lezing op essentiële punten onjuist en niet-medisch onderbouwd is. De rechtbank leidt uit de rechtspraak van de Raad ten onrechte af dat iedere twijfel over de duurzaamheid in het nadeel van de aanvrager werkt. Weliswaar geldt bij de beoordeling van arbeidsvermogen dat de situatie op de peildatum van de aanvraag leidend is, maar dat betekent niet dat het Uwv zich mag baseren op onzekere aannames of onjuiste feiten, zoals in deze zaak is gebeurd. Bovendien heeft de rechtbank elementen meegewogen die zich pas na de peildatum voordeden, maar andere – voor appellant nadelige – ontwikkelingen buiten beschouwing gelaten. Dit is in strijd met de systematiek van het bestuursprocesrecht.
3.2.
Het Uwv baseerde de afwijzing op een aantal gebrekkige aannames die appellant nader heeft toegelicht. Deze aannames hebben geleid tot een ondeugdelijke beoordeling van het arbeidsvermogen. Volgens vaste rechtspraak [2] mag het Uwv alleen aannemelijk maken dat arbeidsvermogen in de toekomst niet is uitgesloten als dat voldoende wordt onderbouwd. Daarvan is in dit geval geen sprake.
3.3.
Op het moment van de aanvraag was sprake van medische beperkingen als gevolg van een ernstige posttraumatische stressstoornis (PTSS), psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA), een uitgebreide neurocognitieve stoornis door epilepsie en intoxicatie (corticale dysplasie), zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking en een sociale angststoornis met agorafobie. Deze beperkingen maken dat appellant structureel is aangewezen op intensieve begeleiding en niet beschikt over basale werknemersvaardigheden.
3.4.
Waar de rechtbank stelt dat toekomstig arbeidsvermogen niet kan worden uitgesloten, is dat gebaseerd op de onjuiste aanname dat behandeling verbetering kan brengen. In werkelijkheid geldt dat sommige aandoeningen – zoals de cognitieve stoornis als gevolg van een hersenoperatie bij corticale dysplasie – onomkeerbaar zijn. Behandeling kan hooguit de coping verbeteren, maar leidt niet tot participatie op de arbeidsmarkt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een behandelverklaring van Antes van 10 april 2026. De feitelijke situatie rond de peildatum is nadien bevestigd door verklaringen van betrokken hulpverleners, onder wie de thuiscoach van Zuidwester/Eigenz, en observatieverslagen uit 2025/2026 van BreinPuzzel. Bij BreinPuzzel kan appellant slechts één tot twee dagen per week deelnemen aan dagbesteding en hij krijgt er regelmatig aanvallen. Zij tonen aan dat appellant geen enkel structureel arbeidspatroon kan opbouwen zonder intensieve begeleiding en ondersteuning.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Een betrokkene kan op grond van het tweede lid alsnog jonggehandicapte worden als hij binnen vijf jaar alsnog voldoet aan de voorwaarde dat hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft op grond van dezelfde oorzaak als die op grond waarvan eerder beperkingen als gevolg van ziekte werden ondervonden. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.2.
Het Uwv heeft op juiste gronden vastgesteld dat appellant per (arbitrair) 15 januari 2020 zijn arbeidsvermogen heeft verloren in verband met toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Het Uwv heeft inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant vóór die datum al niet beschikte over arbeidsvermogen. Appellant was na epilepsiechirurgie in 2009 aanvalsvrij en in staat zijn middelbare school af te ronden, hij volgde een universitaire studie en werkte totdat medio januari 2020 na intoxicatie een acute psychose en motorische verschijnselen optraden, waarbij later de diagnose PNEA door de behandelaars is gesteld. Het functioneren van appellant kenmerkt zich sindsdien door teruggetrokken gedrag en een duidelijke toename van prikkelgevoeligheid, waarbij stress en prikkels aanvallen uitlokken.
5.3.
Niet in geschil is dat appellant op het moment van de aanvraag, 21 oktober 2022, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat hij voldoet aan de voorwaarden dat hij geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.4.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [3] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [4] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden.
5.5.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.6.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd.
5.7.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
5.8.
De aanvallen die bij appellant sedert de intoxicatie in januari 2020 optreden, zijn in 2022 door de neuroloog van Kempenhaeghe gediagnosticeerd als PNEA. Een maand voordat de Wajong-aanvraag werd ingediend is appellant door de neuroloog verwezen naar de huisarts voor psychologische begeleiding. In 2024 heeft een intake bij de GZ-psycholoog van Antes plaatsgevonden, die op 2 juli 2024 berichtte over de diagnostiek en behandeling. In zijn rapport van 24 juli 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk onderbouwd dat bij appellant sprake is van meerdere aandoeningen waarvoor nog verschillende behandelingen mogelijk zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de behandelmogelijkheden per aandoening toegelicht, waaronder de behandelingen bij Antes NAH die op dat moment nog niet hadden plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat er een redelijke tot goede kans is dat na behandeling van de PTSS, PNEA en sociale angststoornis de bestaande beperkingen van appellant in het omgaan met stress en andere mentale eisen verbeteren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 29 augustus 2024 nader toegelicht dat niet uitgesloten is dat appellant in dat geval weer in staat is om afspraken met een werkgever na te komen. Enige begeleiding, zeker in de beginfase bij een nieuwe werkgever, kan daarbij ingezet worden. Als er weer basale werknemersvaardigheden kunnen ontstaan in de toekomst, is het niet uitgesloten dat appellant een taak in een arbeidsorganisatie kan uitvoeren.
5.9.
Appellant heeft geen (medische) stukken overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan deze beoordeling van het Uwv. Dat de behandeling van appellant op het moment van beoordelen van de aanvraag nog niet was begonnen, doet niet af aan de gerechtvaardigde verwachting dat een toename van bekwaamheden kon worden verwacht. Het betreft immers een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op het moment van de aanvraag. [5] De stelling van appellant dat sommige aandoeningen van appellant onomkeerbaar zijn, doet daar niet aan af. Uit de informatie van de GZ-psycholoog van Antes uit 2024 blijkt dat er wel verbetermogelijkheden zijn, ook al kan daarbij geen volledig herstel worden verwacht. De door appellant in hoger beroep overgelegde observatierapporten van BreinPuzzel uit 2025/2026 bevestigen bovendien dat appellant op de dagbesteding een ontwikkeling heeft doorgemaakt, waarbij de aanvallen door het bieden van intensieve begeleiding en vermijden van prikkels fors zijn verminderd van twee tot drie keer per dag naar tweewekelijks. Uit die rapporten blijkt weliswaar ook dat appellant continu aansturing, toezicht en motivatie nodig heeft, dit hoeft echter niet aan arbeidsvermogen – bijvoorbeeld in een beschutte werkomgeving – in de weg te staan. [6]
5.10.
Aangezien door het Uwv voldoende is onderbouwd dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellant niet duurzaam is, is de aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.11.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) C.C.T. Yao
-

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.Rb. Rotterdam 29 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5078.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:567.
3.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
4.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
5.Zie de uitspraak van de Raad van 7 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1634.
6.Zie de uitspraak van de Raad van 4 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2300.