ECLI:NL:CRVB:2026:807

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
24/1195 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 17 PWArt. 53a PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting met onrechtmatig verkregen bewijs

Appellante ontving bijstand sinds 2011 en werd onderzocht na een anonieme melding over haar verblijf in het buitenland, het bezit van drie auto's en vermeende inkomsten. Het college vroeg bankafschriften op over een periode van ruim twee jaar en herzag daarop de bijstand wegens niet gemelde inkomsten.

De Raad oordeelt dat het opvragen van bankafschriften over een langere periode dan drie maanden niet proportioneel en subsidiariteit is toegepast, omdat de feiten en omstandigheden onvoldoende waren om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte gegevens. Hierdoor zijn bankafschriften over een groot deel van de periode onrechtmatig verkregen bewijs en mogen deze niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd.

De herziening en terugvordering over die periode worden vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. De bijstand over de periode waarin de bankafschriften rechtmatig zijn verkregen, blijft herzien. Appellante krijgt een vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht terug.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand over een deel van de periode wordt vernietigd wegens onrechtmatig verkregen bewijs.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1195 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2024, 23/4372 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van de bijstand van appellante over een periode van bijna vijf jaar. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de ontvangst van inkomsten niet te melden. Dit volgt uit de bankafschriften die het college eerst over een periode van ruim twee jaar en vervolgens over een nog langere periode heeft opgevraagd. Volgens appellante heeft het college daarmee een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op haar recht op privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Appellante krijgt gelijk. Er is weliswaar sprake van een wettelijke grondslag voor het opvragen van bankafschriften en daarmee is ook een legitiem doel gediend, maar het opvragen van bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan drie maanden is in dit geval niet in overeenstemming met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De bankafschriften die verder dan drie maanden in het verleden liggen mogen daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Omdat het college over die periode geen andere onderzoeksresultaten heeft aangewezen die de besluitvorming kunnen dragen, slaagt het hoger beroep.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.A. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Voor appellante is mr. Fischer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Ferwerda.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving sinds 2011 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) en per 4 juli 2018 naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Op 7 april 2021 is bij de gemeente Noordenveld een anonieme melding binnengekomen dat appellante zes weken naar het buitenland is geweest, dat zij haar (deels minderjarige) kinderen toen alleen thuis heeft gelaten, dat zij ruim leeft voor iemand in de bijstand, een dure auto rijdt en werkt in een hotel. Naar aanleiding hiervan heeft een medewerker van de gemeente Noordenveld, tevens toezichthouder Sociale Zaken, vanaf 15 maart 2022 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De medewerker heeft in dat kader onder meer dossieronderzoek verricht en het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd. Uit gegevens van de RDW blijkt dat appellante drie kentekens op haar naam geregistreerd heeft (gehad), namelijk van 24 januari 2019 tot en met 27 maart 2020, van 27 maart 2020 tot en met 27 december 2021 en vanaf 15 januari 2022. Met een brief van 16 maart 2022 heeft de medewerker appellante verzocht om zowel bankafschriften over de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 maart 2022 (periode 1), als aankoopnota’s en uitleg over de op haar naam gestelde auto’s over te leggen. De medewerker heeft op basis van de door appellante overgelegde bankafschriften geconstateerd dat appellante bijschrijvingen van haar kinderen en van een derde heeft ontvangen en dat zij maandelijks een wisselend bedrag aan alimentatie ontvangt. Om die reden heeft de medewerker met een brief van 22 juli 2022 extra informatie en bewijsstukken bij appellante opgevraagd, waaronder bankafschriften over de periode van 1 oktober 2018 tot 1 januari 2020 (periode 2). De medewerker heeft geconstateerd dat op die bankafschriften een vergelijkbaar patroon van ontvangen bijschrijvingen te zien is. De medewerker heeft appellante vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 15 november 2022, waar appellante is verschenen. Na dat gesprek heeft de medewerker nogmaals informatie opgevraagd. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 27 december 2022.
1.3.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college, voor zover hier van belang, met het besluit van 23 januari 2023 de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 augustus 2022. De reden hiervoor is dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de ontvangst van bijschrijvingen van derden niet te melden. Het college heeft deze bijschrijvingen van derden aangemerkt als inkomen van appellante en deze in mindering gebracht op de bijstand.
1.4.
Met een besluit van 24 april 2023 heeft het college de bijstand van appellante beëindigd met ingang van 1 april 2023 in verband met inkomsten boven de voor haar geldende bijstandsnorm. Daartegen heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.5.
Met een besluit van 9 mei 2023 heeft het college, voor zover hier van belang, het besluit van 23 januari 2023 gewijzigd en de bijstand van appellante in plaats daarvan herzien over de periode van 4 juli 2018 tot en met 31 maart 2023. Over de periode van 4 juli 2018 tot en met 31 december 2022 vordert het college de teveel gemaakte kosten van bijstand terug tot een bedrag van € 16.173,13 op dezelfde grond als het besluit van 23 januari 2023. Over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023 vordert het college de teveel gemaakte kosten van bijstand terug tot een bedrag van € 42,96, anders dan door schending van de inlichtingenverplichting. De totale terugvordering bedraagt daarmee € 16.216,09.
1.6.
Met een besluit van 19 oktober 2023 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college het door appellante tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 9 mei 2023 gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft de herziening van de bijstand van appellante over de periode van 4 juli 2018 tot en met 31 maart 2023 op dezelfde grondslag als de besluiten van 23 januari 2023 en 9 mei 2023 gehandhaafd, maar heeft het teruggevorderde bedrag over die periode verlaagd tot € 8.777,32.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over herziening en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De verdragsbepaling en de wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Zoals ook ter zitting is besproken ziet het geschil, net als in beroep, uitsluitend op de herziening van bijstand en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 4 juli 2018 tot en met 31 maart 2023.
4.3.
Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellante gedurende de gehele te beoordelen periode de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat zij als gevolg daarvan in die periode minder recht op bijstand heeft.
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat de bankafschriften onrechtmatig zijn verkregen en daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd mogen worden. Op 16 maart 2022 bestond geen concrete aanwijzing op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens. De anonieme melding was op dat moment al een jaar oud, bij het in 2018 langer dan toegestane verblijf in het buitenland was geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting en het feit dat appellante opeenvolgend drie (oude) auto’s op haar naam geregistreerd heeft (gehad) rechtvaardigt het opvragen van bankafschriften over een periode van ruim twee jaar ook niet. Appellante beroept zich daarmee op een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het recht op respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt. Daarvoor is het volgende van betekenis.
Wettelijke grondslag en een gerechtvaardigd doel
4.4.1.
Het opvragen van bankafschriften is een inbreuk op het recht op respect van het privéleven van appellante, zoals beschermd bij artikel 8 van Pro het EVRM. Daarom moet worden beoordeeld of die inbreuk gerechtvaardigd kan worden via artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Artikel 53a van de PW biedt een toereikende wettelijke grondslag voor het opvragen van bankafschriften in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Er bestaat in dit geval ook een gerechtvaardigd doel voor de inbreuk op het privéleven, namelijk het onderzoek naar het recht op bijstand in het belang van het economisch welzijn van Nederland. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [1]
Beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit
4.4.2.
Voor een gerechtvaardigde inbreuk op het recht op privéleven is echter ook vereist dat de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dat betekent dat moet worden voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Daaraan is in beginsel voldaan als de bijstandverlenende instantie een onderzoek verricht naar de financiële situatie van een betrokkene en daarvoor bankafschriften opvraagt over de laatste drie maanden. In het kader van een gericht onderzoek naar de financiële situatie van de betrokkene kan de bijstandverlenende instantie zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden. Maar dit kan alleen als op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn of haar financiële situatie verstrekte inlichtingen, waardoor twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.4.3.
Vaststaat dat het college – na dossieronderzoek en raadpleging van de RDW – als eerstvolgend onderzoeksmiddel zowel informatie over de drie auto’s als de bankafschriften over periode 1 bij appellante heeft opgevraagd en naar aanleiding van de uit die bankafschriften naar voren gekomen bijschrijvingen ook bankafschriften over periode 2. Ter zitting heeft het college toegelicht dat direct is overgegaan tot het opvragen van bankafschriften over een langere periode dan drie maanden omdat op grond van de anonieme melding, de registratie van drie kentekens op naam van appellante en een in 2018 langer dan toegestaan verblijf in het buitenland twijfel bestond over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Anders dan het college stelt, zijn deze feiten en omstandigheden noch op zichzelf noch in samenhang bezien voldoende om redelijkerwijs te kunnen twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de door appellante vanaf 1 januari 2020 verstrekte inlichtingen over haar financiële situatie. Dit wordt hierna toegelicht.
4.4.4.
De anonieme melding is in dit geval daarvoor niet voldoende, vooral omdat de anonieme tip al bijna een jaar oud was op het moment waarop met het rechtmatigheidsonderzoek werd begonnen. Ook het langer dan toegestane verblijf in het buitenland in 2018 is in dit geval niet voldoende omdat appellante destijds van dat verblijf tijdig melding had gedaan en zij dus in dat opzicht niet haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college was toen op de hoogte van het langere verblijf in het buitenland, maar heeft toch geen aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld naar de reden en de bekostiging van dat verblijf.
4.4.5.
De registratie van voertuigen op naam van appellante roept wel de vraag op hoe appellante de voertuigen heeft gefinancierd, aangezien haar vermogen bij aanvang van de bijstand op een negatief bedrag is vastgesteld. Maar dat rechtvaardigt op zichzelf nog niet dat direct wordt begonnen met het opvragen van bankafschriften over een periode van ruim twee jaar. Het college was op 16 maart 2022, de datum waarop de bankafschriften zijn opgevraagd, namelijk niet op de hoogte van andere feiten of omstandigheden dan die hierboven genoemd op grond waarvan kon worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom niet eerst een lichter onderzoeksmiddel had kunnen worden ingezet, zoals het opvragen van bankafschriften over drie maanden en informatie over de (bekostiging van de) drie auto’s bij appellante en/of het voeren van een gesprek met haar. Aan de hand van de aldus verkregen gegevens en voor zover die dat zouden rechtvaardigen, zou het college stapsgewijs zwaardere onderzoeksbevoegdheden kunnen inzetten, waaronder het opvragen van bankafschriften over langere perioden. [3] Het college heeft ter zitting ook niet kunnen uitleggen waarom in eerste instantie niet kon worden volstaan met een dergelijk minder zwaar onderzoeksmiddel. Door direct bankafschriften over een periode van ruim twee jaar op te vragen heeft het college gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
4.5.
Gelet op 4.4 tot en met 4.4.5 is sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante voor zover daarbij bankafschriften zijn opgevraagd over een periode langer dan drie maanden. Dit betekent voor de verschillende periodes het volgende.
Periode 1a (16 december 2021 tot en met 16maart 2022)
4.5.1.
De uit de bankafschriften verkregen gegevens over periode 1 voor zover die zien op de drie maanden direct voorafgaande aan 16 maart 2022 (16 december 2021 tot en met 16 maart 2022) zijn rechtmatig verkregen.
Periode 1b (1 januari 2020 tot en met 15 december 2021)
4.5.2.
De over periode 1 uit de bankafschriften verkregen gegevens voor zover die zijn opgevraagd over een langere periode dan drie maanden (1 januari 2020 tot en met 15 december 2021) moeten worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs. Het college heeft ter zitting op vragen van de Raad geantwoord dat de bankafschriften in dat geval volledig buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Periode 2 (1 oktober 2018 tot 1 januari 2020)
4.5.3.
Hetzelfde geldt voor de gegevens die zijn verkregen uit de bankafschriften over periode 2. Het college heeft de bankafschriften over die periode namelijk opgevraagd naar aanleiding van de uit de bankafschriften over periode 1a (rechtmatig) verkregen gegevens, zonder eerst appellante te horen over de in die periode verkregen gegevens. De op die manier verkregen gegevens uit de bankafschriften over periode 2 worden dan ook aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs.
4.6.
Zoals het college ter zitting heeft bevestigd, ontbreekt ander bewijs voor het verkrijgen van inkomen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 15 december 2021 en de periode van 1 oktober 2018 tot 1 januari 2020. Gelet hierop is er voor de herziening en terugvordering voor die periodes dus geen feitelijke grondslag. Het bestreden besluit is in zoverre, ook gelet op 4.4.5, onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
Herziening 16 december 2021 tot en met 31 maart 2023
4.7.
In 4.5.1 is vermeld dat de bankgegevens over de periode van 16 december 2021 tot en met 16 maart 2022 rechtmatig zijn verkregen. Ook de verkregen bankgegevens in de periode erna tot en met 31 maart 2023 konden door het college aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.
4.8.
Vaststaat dat derden, onder meer de ex-echtgenoot en de meerderjarige dochters van appellante, in de periode van 16 december 2021 tot en met 31 maart 2023 diverse bedragen hebben bijgeschreven op de bankrekening van appellante. De bijgeschreven bedragen van de ex-echtgenoot betrof alimentatie voor appellante. Het college heeft in verband met die bijschrijvingen de bijstand over een aantal maanden in die periode herzien. Het college heeft de bijschrijvingen aangemerkt als inkomsten en deze in mindering gebracht op de bijstand in die maanden.
4.8.1.
Niet in geschil is dat de bijgeschreven alimentatiebedragen als inkomen in de zin van artikel 32 van Pro de PW moet worden aangemerkt.
4.8.2.
Wat appellante heeft aangevoerd over de bijschrijvingen van derden, voor zover deze zien op de genoemde periode en voor zover het niet gaat om alimentatie, komt er in de kern op neer dat deze bijschrijvingen niet als op de bijstand in mindering te brengen inkomsten zijn aan te merken. Het ging hier om bedragen die zij voor derden heeft voorgeschoten voor boodschappen en daarna terugbetaald heeft gekregen op haar rekening. De bedragen die haar dochters in deze periode hebben bijgeschreven maakte appellante over naar de spaarrekeningen van haar dochters. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.8.3.
Kasstortingen en bijschrijvingen door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. Als deze een terugkerend of periodiek karakter hebben, aangewend kunnen worden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zoals in het geval van appellante, is voorts sprake van inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Het ligt dan op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen. [4] Appellante is hierin met wat zij heeft aangevoerd niet geslaagd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen van derden terugbetalingen zijn van gelden die zij zou hebben voorgeschoten. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat haar meerderjarige dochters bedragen op haar bankrekening bijschreven om die door appellante naar hun spaarrekeningen over te laten maken en dat appellante dat ook feitelijk heeft gedaan. Zij heeft deze stelling namelijk op geen enkele wijze met verifieerbare stukken onderbouwd.
4.8.4.
Uit 4.7.1 tot en met 4.7.3 volgt dat het college de bijstand over de periode van 16 december 2021 tot en met 31 maart 2023 terecht heeft herzien in verband met de in die periode bijgeschreven bedragen van derden.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 8 van Pro het EVRM en de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het de herziening over periode 1b en 2 betreft.
4.10.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Vaststaat dat aan de besluiten van 23 januari 2023 en 9 mei 2023 voor zover het de herziening over periode 1b en 2 betreft hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit voor zover dat op de herziening over die periodes ziet. Uit de opmerking van het college ter zitting dat aan appellante gewoon bijstand zou zijn verstrekt als de bankafschriften niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd, maakt de Raad op dat het college er zelf van uitgaat dat dit gebrek niet te herstellen is. De Raad zal daarom zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 23 januari 2023 en 9 mei 2023 in zoverre te herroepen.
4.11.
Uit 4.10 volgt dat er geen grondslag is voor de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over periode 1b en 2. Omdat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit ook worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Het college zal een nieuwe berekening moeten maken van het van appellante terug te vorderen bedrag over periode 1a aan de hand van de door derden in die periode bijgeschreven bedragen. Het hier gaat om een financiële uitwerking die de Raad niet zelf kan maken omdat in het dossier een duidelijk overzicht van de precieze betrokken bedragen per maand in periode 1a ontbreekt. Daarom zal het college worden opgedragen in zoverre opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 mei 2023.
4.12.
Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellante een vergoeding voor de kosten die zij in beroep en hoger beroep heeft gemaakt voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 3.736,- (2 punten voor het indienen van het beroep en hoger beroep en 2 punten voor het bijwonen van de zittingen in beroep en hoger beroep, met een waarde van € 934,- per punt). Appellante heeft in het bestreden besluit al de kosten van de bezwaren vergoed gekregen. Appellante krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van het college terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 oktober 2023 voor zover het betreft de herziening over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 december 2021 en de terugvordering;
  • herroept de besluiten van 23 januari 2023en 9 mei 2023 voor zover het de herziening over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 december 2021 betreft, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 19 oktober 2023;
  • draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2023 te nemen voor zover het de terugvordering betreft met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en W.F. Claessens en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke Verdragsbepaling en wettelijke regels

Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
Artikel 8 (Nederlandse vertaling):
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 53a, zesde lid
Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 20 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2792 en van 5 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2644.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333.
3.Zie de uitspraken van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4881, onder 4.5.4 slot, van 22 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1004, onder. 4.6.6 slot en van 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:297, onder 4.3.6.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2334.