ECLI:NL:CRVB:2026:818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste berekening dagloon WIA-uitkering ondanks laag inkomen appellant
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van zijn dagloon voor de WIA-uitkering door het UWV, dat was vastgesteld op €4,91. Hij stelde dat zijn langdurige arbeidsverleden en betaalde premies een hogere uitkering rechtvaardigen, en dat ten minste het sociaal minimum toegekend had moeten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de referteperiode correct had vastgesteld van 8 november 2020 tot en met 7 november 2021, en dat alleen het loon in die periode bij werkgever 1 in aanmerking kon worden genomen. Loonloze maanden werden buiten beschouwing gelaten, waardoor het dagloon op €4,91 werd vastgesteld. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die toepassing van het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV. De Raad benadrukte dat de Wet WIA geen regeling bevat die een uitkering op het bestaansminimum garandeert en dat de berekeningssystematiek losstaat van de lengte van het arbeidsverleden. Het hoger beroep werd verworpen en de vaststelling van het dagloon bleef ongewijzigd.
De Raad wees appellant ook geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de wettelijke regels voor dagloonberekening en het beperkte speelveld voor afwijkingen op grond van het evenredigheidsbeginsel.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon van €4,91 voor de WIA-uitkering correct heeft vastgesteld en wijst het hoger beroep van appellant af.