ECLI:NL:CRVB:2026:832

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/1244 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 4:6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering terecht wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een WIA-uitkering ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid, die het UWV per 30 oktober 2023 heeft beëindigd op grond van een nieuwe beoordeling dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant betwistte dit en stelde dat hij meer beperkingen heeft en de geselecteerde functies niet kan vervullen.

De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling uit een eerdere uitspraak van 8 april 2024 bindend is omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank stelde vast dat de geselecteerde functies geschikt zijn, ondanks de taalbeperkingen van appellant, en verklaarde het beroep ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische gronden onterecht buiten beschouwing zijn gelaten en dat de functies niet geschikt zijn vanwege taal- en fysieke beperkingen. De Raad volgt dit niet en bevestigt dat de medische beoordeling definitief is en dat de functies passend zijn.

De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 30 oktober 2023. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 30 oktober 2023 wordt bevestigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de geselecteerde functies geschikt zijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1244 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2025, 24/5030 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Turkije) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant per 30 oktober 2023 heeft beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt deze standpunten niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als verkoper broodjes voor gemiddeld 37,93 uur per week en heeft zich op 15 februari 2016 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 20 februari 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
Bij besluit van 24 januari 2020 heeft het Uwv appellant met ingang van 20 maart 2020 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellant onverminderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht. Nadat de ex-werkgever tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt is alsnog een actueel medisch en arbeidskundig onderzoek verricht, waaruit is gebleken dat appellant 4,91% arbeidsongeschikt is. Bij brief van 4 april 2022 heeft het Uwv hierop zijn voornemen kenbaar gemaakt de WIA-uitkering te willen beëindigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens nader onderzoek laten uitvoeren door een psychiater en neuropsycholoog en op 7 juni 2023 een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Een aantal functies is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verworpen, maar op basis van de functies stikster (SBC-code 111160), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en lader, losser (SBC-code 111220) wordt appellant nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Bij beslissing op bezwaar van 25 augustus 2023 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2020 gegrond verklaard en de WIA-uitkering per 30 oktober 2023 beëindigd.
1.3.
Appellant heeft tegen het besluit van 25 augustus 2023 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 8 april 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met de klachten van appellant en afdoende heeft gemotiveerd waarom de belastbaarheid na de WIA-beoordeling in 2018 is gewijzigd. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant geen enkele beheersing heeft van de Engelse taal. Aangezien in de functie medior soldering operator (uit SBC-code 111180) een examen in het Engels moet worden afgelegd, heeft de rechtbank deze functie niet geschikt geacht. Omdat de beslissing op bezwaar van 25 augustus 2023 daarom niet op een deugdelijk arbeidskundig onderzoek berust, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en deze beslissing vernietigd. Het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
1.4.
Partijen hebben in deze uitspraak berust. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het CBBS vervolgens opnieuw geraadpleegd en binnen SBC-code 111180 twee nieuwe deelfuncties (montagemedewerker) geselecteerd. Gelet op de functies uit deze SBCcode en de functies met SBC-codes 111160 en 111220 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 20,15% en daarmee is appellant nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt. Bij beslissing op bezwaar van 22 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de ex-werkgever opnieuw gegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering per 30 oktober 2023 gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank oordeelt dat het Uwv de WIAuitkering per 30 oktober 2023 met juistheid heeft beëindigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de uitspraak van 8 april 2024 is geoordeeld dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld in de FML van 7 juni 2023. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat partijen gebonden zijn aan wat in deze uitspraak is overwogen. In deze procedure staat enkel nog ter discussie of de door Uwv geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de deelfuncties montagemedewerker van SBC-code 111180 geschikt zijn voor appellant. Een beperkte beheersing van de Nederlandse taal is bij deze functies geen belemmering. Communicatie maakt geen omvangrijk onderdeel uit van deze functies, appellant heeft geen cognitieve beperkingen en voor het vertalen van eventuele korte teksten kan appellant gebruik maken van vertaalvoorzieningen op zijn telefoon. Verder volgt uit rechtspraak van de Raad [1] dat ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal in staat moet worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen. In dit geval gaat het om eenvoudige en routinematige functies met opleidingsniveau 2 waarop deze rechtspraak van toepassing is. Voorts is van een verhoogd persoonlijk risico in deze functies geen sprake.
2.2.
Ook de functie lader (SBC-code 111220) is geschikt. In deze functie zit het te tillen gewicht tussen de 0,5 en 5 kilogram en is de frequentie veel minder dan de 600 keer per uur. Er is daarmee geen overschrijding op dit punt. Ook wat betreft het ‘boven schouderhoogte actief zijn’ wordt de belastbaarheid van appellant in deze functie niet overschreden.
2.3.
Ten aanzien van de functie medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111160) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overwogen dat de hogere frequentie van het reiken voldoende gecompenseerd wordt door de kortere reikafstand van 50 centimeter. Verder blijft het dragen van stofdelen van acht kilogram binnen de belastbaarheid van appellant, aangezien het gewicht kan worden verdeeld over twee handen. Deze motivering wordt gevolgd door de rechtbank.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de medische gronden. Dit acht hij in strijd met de duuraanspraak-jurisprudentie. Volgens appellant is zijn belastbaarheid overschat en zijn ten opzichte van de WIA-beoordeling in 2018 ten onrechte beperkingen komen te vervallen. De voor appellant geselecteerde functies zijn volgens hem niet geschikt. In de functiebeschrijving van de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) staat dat Nederlands moet worden gelezen. Appellant beheerst de taal slechts matig zodat deze functie moet komen te vervallen. Ook is deze functie niet geschikt gelet op zijn beperking voor verhoogd persoonlijk risico en het werken boven schouderhoogte. In de functie lader, losser (SBC-code 111220) wordt ten aanzien van het hanteren van lichte voorwerpen en het boven schouder actief zijn de belastbaarheid overschreden. In de functie textielproductenmaker (SBC-code 111160) is sprake van een overschrijding ten aanzien van het reiken en dragen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies.
4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat in de uitspraak van 8 april 2024 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel is gegeven over de medische situatie van appellant ten tijde in geding. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat, nu tegen de uitspraak van 8 april 2024 geen hoger beroep is ingesteld, de gronden over de medische grondslag van het bestreden besluit niet opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen. Wat appellant heeft aangevoerd over de zogenoemde duuraanspraak-jurisprudentie, leidt niet tot een ander oordeel aangezien van een besluit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in dit geding geen sprake is.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat in deze procedure slechts voorligt de beoordeling of de door het Uwv geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. De gronden die appellant in dit verband heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. De voor appellant geselecteerde functies zijn dan ook geschikt.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 30 oktober 2023 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en D.H. Harbers en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 13 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1509.