ECLI:NL:CRVB:2026:834

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/1331 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet WIAArt. 65 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever

In deze zaak staat centraal of het UWV terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante, een werkgever, omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor een zieke werkneemster. De werkneemster was sinds december 2020 ziek en had vanaf juli 2022 benutbare mogelijkheden om te re-integreren volgens een inzetbaarheidsprofiel van de bedrijfsarts.

Het UWV stelde vast dat appellante geen adequate re-integratie in spoor 2 had ingezet, terwijl dit wel mogelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de loonsanctie. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er geen benutbare mogelijkheden waren en dat de periode te kort was om re-integratie te starten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde. De bedrijfsarts had op 20 juli 2022 een inzetbaarheidsprofiel opgesteld met duurzame benutbare mogelijkheden, en de arbeidsdeskundige van appellante had dit niet voldoende onderbouwd. Het actueel oordeel van 29 augustus 2022 veranderde hier niets aan. De Raad bevestigde dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De loonsanctie tegen appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen vanaf 20 juli 2022.

Uitspraak

25/1331 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 juni 2025, 23/817 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het tijdvak waarin werkneemster jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte heeft verlengd tot 4 december 2023 (loonsanctie). Volgens appellante is dat niet het geval omdat zij – anders dan het Uwv heeft aangenomen – wel voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv aan appellante terecht een loonsanctie heeft opgelegd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Namens appellante is [gemachtigde] door middel van videobellen verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Werkneemster was werkzaam bij appellante als huishoudelijk medewerkster voor elf uur per week. Op 7 december 2020 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Werkneemster heeft op 7 september 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Op 3 oktober 2022 heeft werkneemster het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft op 2 november 2022 het re-integratieverslag beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de reintegratieinspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en dat er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim.
1.2.
Met een besluit van 3 november 2022 heeft het Uwv aan appellante een loonsanctie opgelegd. Appellante moet het loon aan werkneemster doorbetalen tot 4 december 2023.
1.3.
Bij besluit van 9 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv heeft aan de loonsanctie ten grondslag gelegd dat appellante ten onrechte geen re-integratie-inspanningen in spoor 2 heeft verricht, terwijl er vanaf 20 juli 2022 wel benutbare mogelijkheden waren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante na 20 juli 2022 onvoldoende reintegratie-inspanningen heeft verricht. Ten onrechte is niet ingezet op re-integratie in spoor 2 terwijl daar wel mogelijkheden voor waren, waardoor re-integratiekansen gemist kunnen zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 februari 2023 overtuigend gemotiveerd waarom de conclusie van de verzekeringsarts over de belastbaarheid van werkneemster en over dat ten onrechte spoor 2 niet is ingezet, in stand kan blijven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er op basis van het inzetbaarheidsprofiel en de FML re-integratiemogelijkheden waren en dat spoor 2 opgestart had kunnen worden. De bedrijfsarts heeft in het actueel oordeel van 29 augustus 2022 weliswaar aangekruist dat werkneemster niet kan werken, maar dit heeft hij niet onderbouwd. De bedrijfsarts heeft op 20 juli 2022 juist een inzetbaarheidsprofiel opgesteld, waarin staat met welke beperkingen rekening moet worden gehouden. Bij navraag door de verzekeringsarts heeft de bedrijfsarts ook laten weten dat werkneemster beschikte over enige duurzaam benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts van het Uwv heeft wel onderbouwd waarom werkneemster nog mogelijkheden had om te werken. Het standpunt dat slechts drie maanden resteerden om spoor 2 op te starten en dat dit gelet op de belastbaarheid van werkneemster, het beperkte budget en de beperkte kansen op de arbeidsmarkt niet redelijk is om dit van appellante vergen, slaagt volgens de rechtbank niet. Uitgangspunt is dat als er arbeidsmogelijkheden zijn, de werkgever zich moet inspannen voor re-integratie. Ook het standpunt dat appellante van de deskundigheid van de bedrijfsarts mocht uitgaan, wordt niet gevolgd. De werkgever is en blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door hem in het kader van de re-integratie ingeschakelde deskundigen. Tot slot blijkt niet dat het Uwv niet concreet heeft gemaakt wat appellante nu precies wordt verweten. Dit betekent dat het Uwv de loonsanctie terecht heeft opgelegd.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft – samengevat – tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd. Volgens de bedrijfsarts waren er tot 20 juli 2022 geen benutbare mogelijkheden en blijkt uit het actueel oordeel van 29 augustus 2022 dat die er vanaf die datum ook niet meer waren. De periode hiertussen is te kort om van appellante te verwachten dat zij re-integratie-activiteiten zou opstarten. Bovendien mocht worden uitgegaan van het oordeel van de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige, die heeft geconcludeerd dat er geen re-integratie-activiteiten mogelijk waren.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de aan appellante opgelegde loonsanctie in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA legt het Uwv een loonsanctie op als blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende reintegratieinspanningen heeft verricht. Deze beoordeling is gebaseerd op in ieder geval een arbeidskundig onderzoek. Als sprake is van medische vragen of onduidelijkheden vindt ook een onderzoek door een verzekeringsarts plaats.
5.2.
Op grond van artikel 65 van Pro de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reintegratie-inspanningen die zijn verricht.
5.3.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter van belang, waarmee het Uwv aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht.
5.4.
Niet in geschil is dat de re-integratie-inspanningen van appellante niet tot een bevredigend re-integratieresultaat hebben geleid en dat daarom kon worden toegekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.
5.5.
Met de rechtbank en het Uwv wordt geoordeeld dat appellante ten onrechte geen reintegratie-inspanningen in spoor 2 heeft verricht, terwijl er vanaf 20 juli 2022 wel benutbare mogelijkheden waren. De bedrijfsarts heeft op 20 juli 2022 een inzetbaarheidsprofiel opgesteld. Hieruit blijkt dat werkneemster een verminderde belastbaarheid heeft, waarbij zij zich niet fysiek stevig mag inspannen en structurele stress in werk moet vermijden. De door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige heeft op basis hiervan op 2 augustus 2022 een advies opgesteld, waarin is verwezen naar het inzetbaarheidsprofiel van 20 juli 2022. De arbeidsdeskundige heeft in haar advies, ondanks de in het inzetbaarheidsprofiel van 20 juli 2022 opgenomen benutbare mogelijkheden van werkneemster, geconcludeerd dat naar haar mening werkneemster niet te belasten is met een re-integratietraject richting een reguliere werkgever, omdat dit te stressvol is en kan leiden tot overbelasting. Deze conclusie strookt niet met de door de bedrijfsarts opgestelde belastbaarheid. Bovendien is deze conclusie niet onderbouwd. Ook ter zitting heeft appellante dit niet kunnen onderbouwen. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat werkneemster volgens de bedrijfsarts over benutbare mogelijkheden beschikte, zodat appellante vanaf 20 juli 2022 had kunnen starten met re-integratie in spoor 2.
5.6.
Dat volgens appellante uit het actueel oordeel van 29 augustus 2022 zou blijken dat de bedrijfsarts de benutbare mogelijkheden vanaf die datum anders heeft ingeschat, leidt niet tot een ander oordeel. Het enkele feit dat op het actueel oordeel is aangekruist dat ‘de werkneemster niet kan werken, ook niet in de toekomst’, is hiervoor onvoldoende. De bedrijfsarts heeft dit niet onderbouwd en uit de stukken blijkt ook niet dat de medische situatie van werkneemster na 20 juli 2022 is gewijzigd. Verder is gebleken dat de verzekeringsarts op 4 oktober 2022 contact heeft opgenomen met de bedrijfsarts, om navraag te doen naar de belastbaarheid van werkneemster. De bedrijfsarts heeft toen aangegeven dat de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige niet is uitgegaan van geen benutbare mogelijkheden. Vervolgens heeft de bedrijfsarts bevestigd dat werkneemster over enige duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt, maar dat zij zich fysiek niet stevig mag inspannen en structurele stress moet vermijden. Het inzetbaarheidsprofiel van 20 juli 2022 is dus niet gewijzigd. De stelling van appellante dat de periode van 20 juli 2022 tot 29 augustus 2022 te kort is geweest om re-integratie-inspanningen te verrichten, mist aldus feitelijke grondslag en wordt reeds daarom niet gevolgd .
5.7.
Uit wat onder 5.1 tot en met 5.6 is overwogen, volgt dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Dit betekent dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit om appellante een loonsanctie op te leggen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en D.H. Harbers en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) D.S de Vries

(getekend) M.G.J. van Eck