ECLI:NL:CRVB:2026:834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante, een werkgever, omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor een zieke werkneemster. De werkneemster was sinds december 2020 ziek en had vanaf juli 2022 benutbare mogelijkheden om te re-integreren volgens een inzetbaarheidsprofiel van de bedrijfsarts.
Het UWV stelde vast dat appellante geen adequate re-integratie in spoor 2 had ingezet, terwijl dit wel mogelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de loonsanctie. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er geen benutbare mogelijkheden waren en dat de periode te kort was om re-integratie te starten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde. De bedrijfsarts had op 20 juli 2022 een inzetbaarheidsprofiel opgesteld met duurzame benutbare mogelijkheden, en de arbeidsdeskundige van appellante had dit niet voldoende onderbouwd. Het actueel oordeel van 29 augustus 2022 veranderde hier niets aan. De Raad bevestigde dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De loonsanctie tegen appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen vanaf 20 juli 2022.