ECLI:NL:CRVB:2026:835

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/2401 Wajong
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArtikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om toekenning Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het Uwv is geweigerd op grond dat haar arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep is het besluit tot weigering gehandhaafd.

De Raad oordeelt dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het eerdere besluit kunnen wijzigen. De medische informatie die zij overlegt was reeds bekend en beoordeeld. De Raad volgt het oordeel dat er nog behandelmogelijkheden zijn die de kans op verbetering van arbeidsparticipatie openhouden.

Appellante voerde aan dat haar multi-problematiek en het langdurige tijdsverloop een duurzaam ziektebeeld aantonen, maar dit is onvoldoende om het besluit te herzien. De Raad bevestigt dat de beoordeling zich richt op de situatie op de datum van het besluit en dat achteraf geen succes van behandeling geen bewijs is voor duurzaamheid.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 juni 2026.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit tot weigering van een Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van duurzaam arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2401 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 september 2024, 22/1999 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het verzoek om terug te komen van zijn besluit van 30 augustus 2021, waarbij is geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen, heeft afgewezen. Volgens appellante moet zij, gelet op haar medische situatie, worden aangemerkt als jonggehandicapte. De Raad volgt appellante daarin niet. Ook een beroep op de regeling toegenomen arbeidsongeschiktheid treft geen doel.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.E.L. Teerling, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellante en mr. Teerling zijn via beeldbellen verschenen. Het Uwv heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1999, heeft met een door het Uwv op 26 juli 2021 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 30 augustus 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Op 17 januari 2022 heeft appellante een aanvraag gedaan om een Wajong-uitkering. Daarbij is vermeld dat appellante een angststoornis en borderline heeft. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 30 augustus 2021. Bij besluit van 31 januari 2022 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Volgens het Uwv is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden en is evenmin gebleken van een verslechterde medische situatie.
1.3.
Bij besluit van 22 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dan wel van een Amber-situatie. De bij de aanvraag meegestuurde informatie was al bekend en ook de in bezwaar overgelegde informatie van Co-eur en het Centrum voor Angst en Dwang van Vincent van Gogh GGZ (Vincent van Gogh GGZ) bevat geen nieuwe feiten. Alle genoemde diagnoses waren reeds bekend en er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onveranderd sprake van een stationair ziektebeeld met behandelmogelijkheden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de afwijzing van de aanvraag evident onredelijk is.
2.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 januari 2023 ook een geheel nieuwe beoordeling van de duurzaamheid heeft verricht. Voor appellante bestaan behandelmogelijkheden. Door behandeling van de angstklachten en vermijdingsgedrag zal sprake zijn van werknemersvaardigheden. Dat appellante de beschikbare behandelingen ofwel zelf voortijdig heeft beëindigd ofwel heeft afgehouden vanwege ziektewinst maakt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat sprake is van duurzaamheid. De rechtbank heeft deze conclusie gevolgd. Uit de informatie van Vincent van Gogh GGZ blijkt dat appellante zelf de behandeling vroegtijdig heeft gestaakt, maar dat het behandeladvies van een klinisch-ambulante behandeling blijft gelden en dat appellante opnieuw bij Vincent van Gogh GGZ terecht kan als zij haar motivatie weet te herwinnen. Verder blijkt uit de informatie van Co-eur dat eerst gewerkt moet worden aan het doorbreken van vermijdingsgedrag alvorens kan worden overgegaan tot behandeling van de eetstoornis. Bovendien staat appellante momenteel op een wachtlijst voor behandeling bij Mondriaan. Dit alles betekent dat er nog behandelmogelijkheden resteren en verbetering van de mogelijkheden niet is uitgesloten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat wel degelijk sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Appellante heeft in de tussentijd behandeling ondergaan die niet tot enig succes heeft geleid. Appellante is inmiddels 25 jaar oud en de beperkingen doen zich al ruim zeven jaar na haar achttiende verjaardag voor. Dit geeft volgens appellante een goed beeld van de duurzaamheid en kan in dat opzicht bij iedere herhaalde aanvraag als nieuwe omstandigheid worden geduid. De vraag of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden is echter van ondergeschikt belang, aangezien het Uwv alsnog een inhoudelijke beoordeling heeft verricht. Appellante is het niet met het Uwv en de rechtbank eens dat zij door het volgen van behandelingen weer over arbeidsvermogen zal beschikken. Appellante ontkent dat zij geen intrinsieke motivatie heeft. Wat tijdens de behandelingen van haar werd gevraagd, was dermate belastend dat appellante daar vanwege haar problematiek niet aan kon voldoen. Volgens appellante is sprake van multi-problematiek die dermate in elkaar grijpt dat enige substantiële verbetering is uitgesloten. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante medische informatie van neurologen uit 2024 en 2025 overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft het Uwv toegelicht dat het verzoek van appellante van 17 januari 2022 ertoe strekt dat het Uwv terugkomt van het besluit van 30 augustus 2021. Verder heeft het Uwv toegelicht dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake is geweest van een geheel nieuwe beoordeling. De beoordeling, zoals opgenomen in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 januari 2023, is verricht in het kader van de regeling toegenomen arbeidsongeschiktheid. Tijdens de beoordeling van de eerste aanvraag is de situatie op 12 augustus 2021 beoordeeld. Hierdoor staat bij de tweede aanvraag nog ter discussie de periode van 12 augustus 2021 tot 17 januari 2022 (de datum van de tweede aanvraag) waarin appellante jonggehandicapte kan worden.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van het verzoek om niet terug te komen van de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Het verzoek van appellante van 17 januari 2022 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het in rechte vaststaande besluit van 30 augustus 2021, waarin is geweigerd een Wajong-uitkering toe te kennen. Daarnaast heeft appellante een beroep gedaan op de zogeheten regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Verzoek om terug te komen van het besluit van 30 augustus 2021
5.2.
Op het verzoek van appellante van 17 januari 2022 heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [1]
5.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.4.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangevoerd. De door appellante bij haar aanvraag van 17 januari 2022 meegestuurde medische verklaringen waren al bij de eerste aanvraag overgelegd en beoordeeld, zodat dit geen nieuwe feiten betreffen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom de in bezwaar overgelegde informatie van Vincent van Gogh GGZ van 15 november 2021 en Co-eur van 25 maart 2022 geen ander licht werpt op de medische situatie ten tijde in geding. De daarin vermelde klachten, waaronder angstklachten, zijn namelijk uitvoerig in de eerste beoordeling in 2021 betrokken en door beide behandelaars wordt melding gemaakt van behandelmogelijkheden. Aangezien deze informatie geheel in lijn is met de inschatting van de verzekeringsarts van destijds, wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn standpunt dat van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is. Wat appellante heeft aangevoerd over het tijdsverloop van haar klachten sinds haar achttiende jaar en dat de behandelingen geen succes hadden, leidt niet tot een ander oordeel. Deze gronden hebben namelijk geen betrekking op de inschatting van haar medische situatie op de datum in geding, 12 augustus 2021. Naar vaste rechtspraak gaat het om een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op dat moment, waarbij de omstandigheid dat – achteraf bezien – die verbetering niet heeft plaatsgevonden geen rol mag spelen. [2]
5.5.
Appellante heeft niet aangevoerd en niet gebleken is dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Beroep op de regeling toegenomen arbeidsongeschiktheid
5.6.
Het Uwv wordt gevolgd in zijn onder rechtsoverweging 4 weergegeven toelichting dat het bij de beoordeling van de tweede aanvraag gaat om de periode van 12 augustus 2021 tot 17 januari 2022. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen in deze periode duurzaam is.
5.7.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [3] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [4] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden.
5.8.
In zijn rapport van 25 januari 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat in voormelde periode de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich nog konden ontwikkelen. Daarbij heeft hij, mede op basis van de informatie van de Vincent van Goghkliniek en Co-eur, overtuigend toegelicht dat voor appellante nog behandeling mogelijk is. Door behandeling van de angstklachten kan worden verwacht dat zij in staat zal zijn om op een werkplek te verschijnen waardoor basale werknemersvaardigheden kunnen ontstaan. Dat appellante, zoals zij stelt, vanwege haar problematiek niet in staat was om de behandelingen te volgen en deze daardoor heeft moeten afbreken, wordt niet gevolgd. Uit de brief van de Vincent Van Gogh GGZ van 15 november 2021 blijkt namelijk voldoende duidelijk dat de behandeling op initiatief van appellante is gestaakt door een gebrek aan motivatie en ziektewinst. In deze brief wordt medegedeeld dat het behandeladvies, klinisch-ambulante behandeltraject bij CVAD, blijft gelden en dat als appellante haar motivatie weet te herwinnen zij opnieuw bij deze kliniek terecht kan. Voor zover appellante stelt dat deze brief onjuistheden bevat wat betreft het afbreken van de behandeling, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Het Uwv gaat er dan ook terecht vanuit dat in de periode van 12 augustus 2021 tot 17 januari 2022 voor appellante behandelmogelijkheden waren en daardoor mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich nog konden ontwikkelen.
5.9.
De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de neurologen leidt niet tot een ander oordeel. Deze informatie ziet op lichamelijke problematiek en niet op de angstklachten die aan het arbeidsvermogen in de weg staan. Bovendien ziet deze informatie op de medische situatie van appellante in 2024 en 2025 en dus niet op de periode die hier van belang is.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek van appellante in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en D.H. Harbers en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2483.
3.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
4.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.