ECLI:NL:CRVB:2026:840

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/763 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening uitspraak over arbeidsvermogen Wajong-uitkering

In deze zaak verzocht verzoekster om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2020, waarin werd vastgesteld dat zij op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had en haar Wajong-uitkering onveranderd bleef. Tevens werd een verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Verzoekster stelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en eiste een hogere immateriële schadevergoeding en vergoeding van proceskosten. De Raad oordeelde dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening alleen kan slagen bij nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en tot een andere uitspraak zouden leiden.

De Raad concludeerde dat de door verzoekster aangevoerde feiten en stukken niet nieuw waren of niet voldeden aan de voorwaarden voor herziening. Ook werd geoordeeld dat een hernieuwde discussie over de zaak niet mogelijk is via herziening. Het verzoek werd daarom afgewezen en verzoekster kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over het arbeidsvermogen en de Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/763 WAJONG
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 december 2020, 19/3865
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 juni 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 december 2020. Wat verzoekster heeft aangevoerd, is niet voldoende om te oordelen dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening slaagt. De Raad wijst het verzoek daarom af.

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft [naam partner] , partner van verzoekster, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 december 2020, 19/3865.
Mr. L. Laken-Steehouwer heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op een zitting van 18 mei 2026. Voor verzoekster zijn verschenen mr. Laken-Steehouwer en [naam partner] , echtgenoot van verzoekster. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 9 december 2020 [1] .
2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, stond de vraag centraal of het Uwv in het kader van de eenmalige herindeling van Wajongers terecht heeft aangenomen dat verzoekster op 1 januari 2018 arbeidsvermogen heeft. De Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord en bepaald dat de uitkering van verzoekster op grond van Hoofdstuk 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met ingang van 1 januari 2018 onveranderd 75% van de grondslag bedraagt. Het verzoek om immateriële schadevergoeding ad € 5000,- heeft de Raad afgewezen omdat niet gebleken is van een ernstige inbreuk in de levenssfeer of aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De Raad heeft voorts geen aanleiding gezien verzoekster te volgen in haar standpunt dat een integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand aangewezen is en heeft een veroordeling uitgesproken conform het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
3. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift – kort samengevat – naar voren gebracht dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld, fouten heeft gemaakt en de werkwijze niet in lijn was met de herindelingsoperatie per 1 januari 2018. Volgens verzoekster hebben zij en haar echtgenote recht op een immateriële schadevergoeding van € 50.000,- en dienen ook de niet-vergoede kosten voor de procedure bij de Raad, ten bedragen van € 20.911,34 en de kosten voor juridische ondersteuning voor het verzoekschrift ten bedrage van € 4.585,14 te worden vergoed.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak [2] is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
4.3.
De Raad stelt voorop dat een deel van de gestelde immateriële schade pas ontstaan is ná de uitspraak van 9 december 2020. Omdat deze vervolgschade toen nog niet aanwezig was, bestaat reeds hierom geen aanleiding de uitspraak van 9 december 2020 in zoverre te herzien. Hieraan doet niet dat verzoekster in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 9 december 2020 ook heeft verzocht om vergoeding van nog te lijden schade. Voor zover het verzoek ziet op de vóór deze uitspraak geleden immateriële schade, geldt dat de door verzoekster overgelegde medische informatie van (onder meer) D. Meijer en drs. B.F. van Heycop ten Ham ook in de eerdere procedure had kunnen worden overgelegd en in zoverre geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Dit geldt ook voor de argumenten die zijn aangevoerd in een brief van 30 juni 2024 aan het Uwv. Met wat verzoekster aanvoert beoogt zij in feite een hernieuwde discussie te voeren over het recht op immateriële schadevergoeding en de hoogte van de proceskosten. Uit wat in 4.2 is overwogen volgt dat het middel van herziening daarvoor niet is bedoeld.
4.4.
Ook de door verzoekster overgelegde (interne) stukken van het Uwv en de brieven aan de toenmalige staatsecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de afwijkende beoordeling van het zogeheten 50+ cohort, waarvan verzoekster via een verzoek op grond van de Wet open overheid kennis heeft genomen, kunnen niet leiden tot herziening van de uitspraak van 9 december 2020. Indien en voor zover al aangenomen moet worden dat deze stukken voldoen aan de voorwaarden a en b van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, geldt dat niet voor de voorwaarde onder c. Verzoekster viel immers niet onder dit 50+cohort en gelet op de uitspraak van de Raad van 23 december 2020 [3] is van een schending van het discriminatieverbod door de afwijkende beoordeling van het 50+ cohort ten opzichte van de overige cohorten geen sprake. Hieraan doet niet af dat uit de interne stukken blijkt dat binnen het Uwv destijds twijfels bestonden over de juridische houdbaarheid van deze afwijkende beoordeling.

Conclusie en gevolgen

5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen.
5.1.
Verzoekster krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3113.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828.
3.CRvB 23 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3314.